Koudenburg Haule

8.2.4. De gegevens gecombineerd; met opmerkingen.

Combineer je de voorgaande gegevens en aannames dan zou het kunnen zijn dat de hoeves 15 t/m 21) in de middeleeuwen mogelijk leengoederen zijn geweest en wellicht bij de kerkstichting betrokken zijn geweest.

Maar in tegenstelling tot het naburige dorp Een (ook Eden genoemd), zijn er voor Haule in de middeleeuwen geen rechtstreekse aanwijzingen voor de aanwezigheid van een domaniaal systeem met horigen, noch voor een later ontwikkeld pachtstelsel onder controle van adellijke families of lokale elites.

Leengoederen zijn echter niet vreemd in Ooststellingwerf.
Voor mij bestaan sterke aanwijzingen voor leengoederen in Oosterwolde en Appelscha.

Een leengoed was oorspronkelijk grond of een onroerende zaak, zoals een kasteel of hoeve, die toebehoorde aan een hogere heer, bijvoorbeeld een bisschop of hertog. Deze gaf het in leen aan een leenman, in ruil voor wederzijdse verplichtingen zoals militaire steun, geld of bescherming. De leenman liet het land vaak bewerken door boeren, die een deel van de opbrengst moesten afstaan. Leengoederen kwamen veel voor, onder meer in grensgebieden zoals die van het bisdom Utrecht in het grensgebied Drenthe-Friesland. Ze waren veel al gelegen langs de voornaamste verbindingswegen met versterkingen (in het begin zo genaamde mottes) nabij knooppunten van doorgaande wegen als steunpunt van bestuur. Zo zijn in de kop van het huidige Drenthe nog herkenbaar de plaats waar een mottekasteel moet hebben gestaan. Denk aan een dubbele motte bij Yde nabij de splitsing van de weg van Groningen naar Peelo en Norg, bij Peest en dichterbij ten westen van Norg bij het Grote Diep. Lees het verhaal over burchten in Drenthe van Anne Post.

Oosterwolde
Onduidelijkheid bestaat over de positie van bijvoorbeeld de familie Barelds uit Oosterwolde ooit was. Zij hadden ook boerderijen in het dorp Een. In dit dorp was wel sprake van leengoederen.

Op Hageninghe (dorp Een) worden in 1440 en 1450 Bartold en Roelof Maghes vermeld. Dit zullen de broers Bareld en Roelof zijn, zoons van Johan de jonge van Steenwijk. Johan de oude is leenman van de bisschop van Utrecht vanaf 1433. Rond 1492 staat vermeld dat Johan Barelds gehuwd is met een dochter van Roelof Knasse. Arend Barelds is een nazaat van Johan Barelds die rond 1495 getrouwd was met een dochter van Roelof Knasse, een zuster van Bartold Knasse. Roelof Knasse was getrouwd met een dochter van Arent van Steenwijck. Een precies relatie overzicht heb ik nog niet kunnen vinden. Ik verwijs dan ook graag naar https://dorpshistorie.nl/DeFrankischeinvloedopDrenthe.pdf

Arend Barelds uit Oosterwolde zal een nazaat zijn. Hij bezit in 1630 drie erven in Een en bezit dus de leenrechten, waaronder Hoofdstraat 19 te Een. In 1450 is Roelof Lammerts daarvan de vermoedelijke gebruiker. Broer van Egbert Lammerts van erf 3. In 1612 is Hendrick Sickinge de gebruiker. Irend Barelds is in 1636 momber over de kinderen Lunsingh van Westervelde. In 1760 koopt Roelf Assies van Langelo dit erf van Gasignet, gehuwd met een kleindochter van Arend Barelds.

Een citaat uit de parenteel van Rudolf van Ansen:

“NN Knasse is geboren omstreeks 1430, dochter van Roelof Knasse en NN (1) van Steenwijk (zie 1.3.1.1.2.2). NN trouwde met Johan Barelds. Johan is geboren omstreeks 1420. Notitie bij Johan: De Barelds familie heeft haar bezit voornamelijk in Oosterwolde. Bareldsburg, later Oostenburg genoemd. Het is (was) een leengoed van de bisschop van Utrecht. De eerste leenmannen waren verwant aan de ridders van Norch en van Steenwijk.”


Dit Bareldsburg stond aan het Oost. Daar stond nog een ander pand waarvan in 1650 dat wordt omschreven wordt als “enen huizinge genaamd het Noormannenhuis of Noormanshuis zijnde zeer zwaar gebouwd en versterkt” (Oosterwijk blz. 155.)

Oostenburg omstreeks 1890. eerder Bareldsburg.

In 1640 wordt als eigenaar van de grootste hoeve (8) van Oosterwolde, genaamd Ten Hoor of Ter Hoore, genoemd Aernt Barels.  De overleving wil, dat de naam Ten Hoor zou zijn afgeleid van Ver Hoor en dat bij de zathe rechtsgeschillen werden afgedaan (Oosterwijk blz.159).

Nog een citaat. Nu uit de”Lijst van leenmannen van het Sticht te Utrecht (Ogd0699; 1381-138)”:

Item Gerd Guedinch hout Twe-Hedeblinghegoet, item Brinkinghegoet. Item tgoet to Middendorpinghe. Item een tiendeken. Item Amyngegoet. Item 1/2 tiende to Petten, al gheleghen in den kerspel van Runen. Item den tiende to Balinghe, gheleghen in den kerspel van Borck. Item den hof tAelden, gheleghen in den kerspel to Swele. Item Bebinghegoet ende Brinkinghegoet, gheleghen in den kerspel van Oderen . Item Leppingegoet, gheleghen in den kerspel van Hesselen. Item een tiende, tot Oesterwolde gheleghen to Stellincwarf. Item enen tiende ter Elborch in Veluwe. 

Popping (In Geschiedkundige aantekeningen. Over De Stellingwerven en omstreken.) is er stellig in: Een acte van 1328, (bij Driesseri vermeldt) houdt in, dat Oosterwolde, gelegen in ………. ” Hij ontleent dit aan “Lijst van oorkonden, die in het charterboek van Friesland ontbreken” samengesteld door mr. L.PH.C. van de Bergh. In die zelfde Lijst kom ik trouwens ook de volgende stukken tegen:

  • 9 Maart 1272.     De abt en het convent van Floridus Campus erkennen zeker land in Ostenwalde van het kapittel van S. Marie te Utrecht in erfpacht genomen te hebben, tegen tien denariën ’s jaars.
  • 6 Julij 1298.        Het kapittel van S. Marie te Utrecht geeft aan den abt en het convent van Floridus Campus* , van de Cistercienser orde, in eenen eeuwigdurenden erfpacht de goederen „ que dicuntur bona Reynekyn apud Oostenwolde sita,” tegen tien denariën Utrechtsclie munt ’s jnnrs, te verlieiien bij doode van den abt, door zijnen opvolger, met vijf solidi.

* Oldeklooster of Bloemkamp, ook Campus floridus genoemd, Abtdij van de Cisterciënser orde, onder Hartwerd.

Een tiende is een belasting die rust op een stuk land of een boerderij. Meestal gaat het om een “novale tiende”: dat is een tiende deel van de opbrengst van nieuwe gewassen of van gewassen op pas ontgonnen grond. In de Stellingwerven zijn de tienden in handen van het kapittel van Sint-Pieter in Utrecht, of van tiendheffers die deze rechten van de kerk hebben gekregen.

Appelscha
Dennis Worst noemt in de cursus “Landschapsgeschiedenis” twee aktes waarin sprake is van bisschoppelijke belangen in Appelscha.

  • 1247: Bisschop Otto draagt aan het klooster te Ruinen over de tienden van twee hofsteden te Appelscha (van Gelmer en Himo), in verband met de intrede in het klooster van den geestelijken Bernard en zijne dochter (tienden in handen van Bernard Benzing en de geestelijke Hendrik).
  • 1251: Bisschop Hendrik geeft aan het klooster te Ruinen de tienden van twee hofsteden te Appelscha (Hendrik en Frederik), waarvan Hendrik Pape en Bernard Buizinc afstand gedaan hadden. Laatstgenoemde ontvangt van de bisschop hiervoor in leen een hofstede genaamd Plumbinc bij Paaslo. 

Waar deze hoeves eertijds lagen is onbekend. Het dorp Ruinen lag net als Appelscha in het dekenaat Diever.  

Het klooster te Ruinen is vóór 1141 gesticht door de Utrechtse bisschop en de heer van Ruinen. De eerste bewoners van het klooster van Ruinen waren Utrechter monniken, aan het eind van de twaalfde eeuw kwamen er ook nonnen wonen. Het klooster had veel bezittingen in het noorden van Nederland en had inkomsten uit pachten en uit het ontginnen van moerasgebieden rond Ruinen. In 1325 verhuisde het klooster naar het Reestdal bij De Wijk. Samen met Ruinerwold, het toenmalige Buddingewold en Haakswold, vormde Ruinen de zogenaamde heerlijkheid van Ruinen. Dit gebied werd bestuurd door een leenman die daarvoor was aangewezen door de bisschop van Utrecht. De leenman noemde zich Heer van Ruinen en woonde op havezate Oldenhof dat ten zuidwesten van Ruinen stond. Het bezit van de heerlijkheid was een erfelijk recht, waardoor de macht lange tijd binnen familiekringen bleef. Vanaf eind veertiende eeuw kwam de heerlijkheid ook in bezit bij andere families. De Van Ruinen hadden relaties met lokale adellijke families de Van Norch’s, de Van Steenwijck’s, de Van den Cloosters.

De kerk van Appelscha, volgens Ennik en Klooster daterend uit het begin 14e eeuw, staat buiten het oude Appelscha. Het Hoog-Appelscha zoals wij dat kennen met zijn 23 hoeves. Appelscha was echter groter en bestond ook uit de buurtschappen Aekinga, Terwisscha en De Bult. De Trefkerk, zoals hij later genoemd werd, staat min of meer in het midden en was eerder bereikbaar via de aloude kerkpaden. K. Brouwer schrijft daarover:

Terwsscha, bestaande uit vier hoeven in 1830, was oorspronkelijk één zathe (W. de Jong, Appelsche p. 55), volgens een overlevering met halsrecht begiftigd (H.J. Keuning. Mozaïekfuncties).

Wat dit laatste betreft, spreekt WInsemius (1586 – 1644) zelfs over een Burcht. Wij doen daar wat lacherig over; er is immers nooit iets van een Burcht gevonden; geen fundamenten, geen andere artefacten die bijvoorbeeld verband zouden kunnen houden met krijgsgeweld. Uit de geschriften van Anne Post op zijn site www.dorpshistorie.nl  heb ik geleerd dat in onze contreien wel degelijk “Burchten” hebben gestaan. Alleen moet je dan denken aan een motte, een bouwwerk van hout op een heuvel, waar omheen dan een laagte ontstond, een soort gracht, die als het enigszins kon, gevuld werd met water.  In het begin was de omvang van zo’n motte beperkt, maar al naar gelang de natuurlijke omstandigheden werd die omvang groter, vaak zo groot dat men binnen de omheining alle voorzieningen had om gedurende lange tijd te kunnen overleven. Vaak bestond het geheel uit twee afzonderlijke delen, één met een uitkijkpost en één waar de verblijfsgebouwen waren. Ze zijn in onze omgeving o.a. aangetoond in Een, Yde, Paaslo, Wittelte en Uffelte; gelegen op strategische punten van belang waren voor de controle over Drenthe. Mottes zijn gekoppeld aan leengoederen en dateren uit de Frankische overheersing, het latere Duits Keizerrijk en daarna de Bisschop van Utrecht.

Restant van de Klinkenberg, naam van een motte(kasteel) langs de Geeserstroom nabij Gees.

De familienaam Terwisscha is waarschijnlijk verbonden aan dit gehucht Terwische. De familie had aanzienlijke invloed in de Stellingwerven door grootgrondbezit en het bekleden van diverse publieke functies. J. Wierda (Oude Stellingwerfse families, Heerenveense Koerier) veronderstelt dat de vroegere grietman Merck (of Marck) Syrcksz een Terwisscha was, aangezien de naam later veel in de familie voorkomt. Merck wordt in 1514 vermeld als grietman van zowel Schoterland als Stellingwerf en staat met zijn broers en zusters op de in 1505 opgemaakte lijst van Saksisch gezinde edelen. Zijn vader, Syrck Myrcksz, komt al in 1496 voor. Er zijn echter geen aanwijzingen dat vroegere bezitters van Terwisscha ooit leenplichtig waren of direct betrokken bij de kerkstichting. Ik noem dit zo omdat het vroeger wel gebruikelijk was bij grotere leengoederen een kapel of kerkje te stichten.

Donkerbroek
Dennis Worst spreekt in zijn cursus ook over Tijns belasting in Donkerbroek. Tijns zijn tienden zoals hiervoor omschreven.
Nog onderzoek naar doen.

Meer vragen
1. Ik lees in het document “Norg, ouderdom en ontstaan” (versie 18-08-2023), geschreven door Anne Post, in het hoofdstuk “Mutaties in leengoederen 1450” vanaf 1487 over diverse verkopingen in het gebied Norg-Een-Veenhuizen door de familie Van Steenwijck (rechtsopvolgers van de familie Van Norch).
Ik ben dan ook benieuwd of deze familie Van Steenwijck in die jaren ook bezit had in Haule-Oost. Ik vraag mij dit af omdat De Barelds familie gelieeerd is aan de Van Steenwijk’s. De familie Barelds heeft een groot deel van haar bezit in Oosterwolde. Bekend is de Bareldsburg, later Oostenburg genoemd. Het is (was) een leengoed van de bisschop van Utrecht. De eerste leenmannen waren verwant aan de ridders van Norch en van Steenwijk. Zie: Parenteel van Hendrik van Steenwijck.

2. In het Beneficiaalboek van Haule uit 1543 kom ik de naam Grete Ruytenborg als bewoonster van Haule tegen. De Ruytenborgs (Rutenberg) waren ooit ook leenheren van de bisschop van Utrecht. Zie ook de aantekeningen in Bijlage 2: “Het Beneficiaalboek van Haule uit 1543”.

3. Natuurlijk is er vanaf de tweede helft van de 16e eeuw tot het begin van de 19e eeuw sprake van pacht. Maar de adellijke eigenaren, met name de families Lycklama à Nijeholt, Burmania en de Van Ewsums, zijn er in de eerste plaats op uit eigenaar te zijn van hoogveengebieden die binnen deze eigendommen liggen. Een bijkomstigheid is dat ze daardoor ook bestuurlijke invloed krijgen in de grietenij en de provincie.

Losse opmerkingen:
Het is alle moeite waard om uit te zoeken welke belangen in Haule de volgende families hadden en wat hun onderlinge verwantschap is.

1. De familie Van Oostenwolde (Ostwald) uit Oosterwolde in Friesland
– Bijv. Mechteld van Oostenwolde
– Bijv. Vrouw  Aleid van Oostenwolde, Geboren in 1324 – Oosterwolde Friesland. Overleden in 1382, Gehuwd met Herbert Pelgrims van Putten 1320-1382. Kinderen Pelgrim Herbertsz Herberts van Putten 1350-1420, Dirck van Putten en Johan van Putten †

2. De familie Van Norch

3. De familie Van Rutenberg ( en al zijn varianten)

4. De familie Van den Clooster.
Het blijft intrigerend dat In Donkerbroek een Kloosterplaats is geweest waarvan men de herkomst niet weet. Zie:  Het klooster bij Eekhof (1849), Het Klooster (Top. Mil. Krt. 1864 en ’t Klooster (top. Krt. 1926 -1927).
In “Veldnaemen van Stellingwarf diel II Donkerbroek” samengesteld door Philomène Bloemhof –  de Bruin (blz. 34) lees ik:

De Kloosterplaets: Neffens een artikel in et Friesch Landbouwblad van 22-2-1957 was disse pleatse d’r in 1640 al. Et is niet warschienlik dat d’r in Donkerbroek ooit een klooster stoan het. Eerder moe’n we daenken an kloostergrond. Bekend is dat bgl. Et klooster Mariëngaarde in disse streken bezit het (Algra z.j.: 153-154)

Ik wil hierbij opmerken dat Dennis Worst  in zijn cursus spreekt  over Tijns belasting in Donkerbroek; ik moet nog nagaan wat hij bedoelt. Tijns zijn tienden zoals hiervoor omschreven. Tyns, tijnze, of tynsen van Cijns: komt van het Latijnse woord ‘census’ en dat betekent ‘schatting’. Tins, cijns (Lat.: censere — oordeelen). Oude naam voor schatting. Eertijds onderscheidde men tijns van pacht. Tijns was de betaling in geld en pacht betaling in natura (koren, hoenders, eieren). Houdt deze naam verband met de familie Van den Clooster? De familie Van den Clooster was prominent in Overijssel en verbonden met de Havixhorst. Johan van den Clooster was een invloedrijk lid van de familie, die in 1490 stierf. Na Johans dood kwamen de bezittingen van de familie Van Oostenwolde eerst bij zijn broer Roelof, die ze op zijn beurt aan hun jongste broer Herman overdroeg. Een kwartierstaat toont de verwantschap met het geslacht Van Steenwijck, waaruit kinderen kwamen zoals Aleid van Steenwijck, die in het klooster trad.Verder verwijs ik naar o.a. een artikel op Histoforum (Albert van der Kaap) over de familie Van den Clooster en https://www.dorpshistorie.nl/vandenClooster.html


Versie: 2026, 2 januari

← Vorige: 8. 2. 3. De kerk; locatie, hoevebreedtes, afdrachten, FlorenenVolgende: 9. Wegen rond Koudenburg: →