Koudenburg Haule

8.2.2. Eerste vermelding

De oudst bekende schriftelijke vermelding van Haule, onder de benaming “Die Hauwele”, dateert uit 1408.

Er zijn echter sterke aanwijzingen dat de oorsprong van het kerspel aanzienlijk ouder is. In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat de kerk en parochie van Haule reeds in 1328 bestonden. Haule maakte toen deel uit van een cluster van twaalf kerspelen die zowel kerkelijk als bestuurlijk onder het gezag van Drenthe en het bisdom Utrecht vielen, maar zich in 1328 van deze verbanden losmaakten. Deze institutionele scheiding impliceert dat de feitelijke nederzettings- en occupatiegeschiedenis van Haule aanzienlijk vroeger moet zijn ingezet.

26 mei 1328. Johannes, bisschop van Utrecht, gaat akkoord met een uitspraak van scheidslieden in een conflict tussen hem en de mannen van Drenthe. In deze oorkonde is de uitspraak van die scheidslieden opgenomen. Daarin wordt gemeld dat 12 parochies zich van Drenthe hebben afgescheiden en zich gevoegd hebben bij de ‘Frisonibus de Stellingwerf’, ofte wel de Friezen van Stellingwerf. Helaas ontbreken de namen van die 12 dorpen. Geleerden denken aan dorpen in het huidige Ooststellingwerf. Het origineel is te vinden in de Groninger Archieven in Groningen. Inventarisnummer: 1328-1

De gebeurtenissen van 1328 markeren een omslagpunt in de bestuurlijke en rechtsgeschiedenis van het gebied. De betrokken kerspelen, waaronder Haule, oriënteren zich vanaf dat moment op Friesland, meer in het bijzonder op de regio Stellingwerf. Binnen dit gebied geldt het juridische en politieke kader van de zogenoemde Friese Vrijheid, een traditie die wordt gekenmerkt door lokaal zelfbestuur en een uitgesproken weerstand tegen centralistisch gezag. Denk daarbij vooral aan de bisschop van Utrecht en andere geestelijke of wereldlijke machthebbers die invloed willen uitoefenen op het grondbezit. De Friezen staan bekend om hun zogenoemde Friese Vrijheid: zij erkennen geen landsheer die het hoogste gezag over de grond heeft. Grond is in principe in handen van vrije boeren en geslachten (hoofdelingen). Dus anders dan in Drenthe is de bisschop bijvoorbeeld geen eigenaar van de gebieden buiten de in gebruik zijnde boerenerven en landerijen.

PS Er zijn een aantal zeer kritische onderzoekers die de juistheid van de Friese geschiedschrijving, maar ook de Hollandse, in twijfel trekken op grond van nieuwe en volledige vertalingen van oude annalen en oorkonden.

De eventuele (leen)goederen van de bisschop blijven na de afscheiding vermoedelijk wel zijn eigendom. Ook vinden daarna nog steeds afdrachten aan het bisdom plaats door de parochies. In het Beneficiaalboek van Haule uit 1543 lezen we dat er zes en een halve mud (maat voor graan; ik denk rogge) aan Sint-Peterspacht moet worden betaald. Bij andere dorpen in de Stellingwerven lezen we van “renthen tpe Sinte Peter Cathedram” (Oosterwolde, Makkinga, Nijeberkoop, Ter Idzard). In Langedijke lezen we “Ad Cathedram Petrii”, letterlijk Latijn voor “aan de zetel van Petrus”, oftewel aan de bisschopszetel of het kapittel van Sint-Pieter, in dit geval de stad Utrecht, waar een Sint-Pieterskerk of -kapittel bestaat. Deze kerk is 200 jaar ouder dan de dom van Utrecht.


Versie: 2025, 29 december

← Vorige: 8.2.1. Nummering van de hoeves op HauleVolgende: 8. 2. 3. De kerk; locatie, hoevebreedtes, afdrachten, Florenen →