Koudenburg Haule

5.3. Is de agrarische ontwikkeling op Koudenburg anders geweest dan in de rest van Haule?

Eerst een stukje theorie. Veldpodzolen en laarpodzolen zijn termen die komen uit de bodemclassificatie van Nederland en hebben inderdaad te maken met gebruiksgeschiedenis, maar er is vaak verwarring omdat de namen misleidend kunnen zijn.

Laarpodzolen (ook wel “esdek-podzolen”) ontstaan onder oude akkers, vooral op essen. Ze kenmerken zich dooreen dikke, donkere A-horizont (bovenlaag) van soms meer dan 50 cm dik. Ze ontstaan door (eeuwenlange) plaggenbemesting (mengsel van heideplaggen en stalmest) waardoor de bodem is verrijkt met organische stof; geschikt voor intensief landbouwgebruik. Dus een rijkere bovenlaag, duidelijk ontstaan door menselijk ingrijpen.

Veldpodzolen ontstaan onder heidevelden, bossen of onbemeste gronden. Ze Kenmerken zich door een dunne A-horizont (vaak < 10 cm), met daaronder een typische uitspoelings- en inspoelingslagen (E- en B-horizont). Ze komen voor in gebieden met weinig of geen agrarisch gebruik, dus extensief. Vaak tref je het natuurlijke podzolprofiel aan wat duidt op weinig menselijk ingrijpen.

Het verschil tussen een laarpodzol en een veldpodzol is dus de dikte van het cultuurdek. Een veldpodzol heeft volgens de definitie een cultuurdek van 0-30 cm terwijl een laarpodzol een cultuurdek heeft van 30-50 cm. Dit dikkere cultuurdek bij de laarpodzol kan op drie manieren zijn gevormd:

  • Ten eerste door langdurige ophoging met potstalmest.
  • Ten tweede door ontginningen na de verveningstijd. In dit geval bestaat het cultuurdek uit een mengsel van zand en keileembrokken uit wijken, eventueel achtergebleven restveen en van elders aangevoerde compost of bagger.
  • Ten derde doordat de (rest)veenlaag al in een eerder stadium (tussen de 13e en 17e eeuw) samen met de bovenlaag van de onderliggende veldpodzol is verploegd. Deze veen- of moerige laag vormt dan samen met het bovenste deel van de ‘onthoofde’ veldpodzol het cultuurdek..

Spek legt uit dat tot in de 17e  eeuw de Drentse boeren voor de potstal uitsluitend organische strooiselmaterialen verzamelden. Dit bestond uit gemaaide heide en varens, groene plaggen en bos- en heidestrooisel. De potstalmest die werd vervaardigd was dus volledig verteerbaar en leidde niet tot een merkbare ophoging van de bouwvoor. Pas toen in de loop van de 17e  eeuw de organische strooiselmaterialen uitgeput raakten, zochten de Drentse boeren hun toevlucht in gestoken zandhoudende plaggen. Met de plaggenbemesting concentreerde men zich juist op de dicht bij huis gelegen akkers.

Waarom zoveel aandacht voor deze twee bodemtypes?

De situatie op de Haule

Op de bodemkaart (hiervoor) zie je dat door geheel Haule aan weerzijden van de doorgaande weg en dicht bij de boerderijen Laarpodzolen worden gevonden. Dit kan duiden op langdurig gebruik van plaggenbemesting of op restveen dat tussen de 13e en 17e eeuw samen met de bovenlaag van de onderliggende Veldpodzol is verploegd. Niet is aan te geven of dit ook tot ophoging heeft geleid.

De situatie op Koudenburg

Op Koudenburg zijn echter alleen maar de Veldpodzolen te vinden, ook waar eeuwenlang akkers aanwezig zijn. Sterker nog er is een strakke rechte scheiding zichtbaar tussen hoeve 19 (later de Tonckenshoeve) en hoeve 20 (zathe Koudenburg). Er zit een lichte verschuiving in de kaarten; de grens tussen de podzoelen loopt dus precies op de huidige waterlossing. Een rechte scheiding, daar waar de overgangen op andere plaatsen en bij verschillende bodemtypes vloeiender zijn. Ik wil hierbij wel opmerken dat een dichter netwerk van bodemboringen over die harde grens alleen uitsluitsel kan geven.

Een eerste verklaring kan zijn dat de streek Koudenburg later is ontstaan dan de rest van Haule; bijvoorbeeld eind 15e eeuw. Uit het Benificiaalboek uit 1543 weten we dat de zathes 20 en 21 al wel aanwezig zijn. Koudenburgen zou in dat geval gedurende twee eeuwen bemesting gemist hebben. Een tweede reden, mogelijk aansluitend aan de eerste, kan zijn dat op de Haule restveen is gemengd met de ondergrond en dat op Koudenburg alle veen ontgraven is (tegen hoeve 19 aan) of dat er heeft geen veen gezeten waar later de akkers liggen.

Een meer voor de hand liggende reden is dat op Koudenburg lange tijd geen intensieve plaggenbemesting heeft plaats gevonden. Uit de specieboeken uit de het derde kwartaal van de 18e eeuw komt hoeve 20, Koudenburg, naar voren als een klein boeren bedrijf. De inning gaat in die jaren uit van gemiddeld 3 koeien en 3 – 5 pondemaat bouwland. Het meest opvallend is dat in bijna al die jaren op het bedrijf geen paard aanwezig is. We weten dat de plaggenbemesting pas goed op gang is gekomen in de eerste kwart van de 18e eeuw of iets later. Zonder paard geen plaggenbemesting; immers hoe kun je de zware plaggen anders transporteren dan met paard en wagen. Veel boerderijen op Haule hadden in die tijd 2 paarden. In Drenthe had een volwaardige hoeve meestal 4 paarden; de afstanden waren daar vaak ook groter. Los heide maaisel laat zich zo nodig nog vervoeren met een kruiwagen. Op basis van de kadastrale kaart uit 1832 kunnen we concluderen dat Koudenburg zich pas in het eerste kwart van de 19e eeuw ontwikkeld heeft tot een “normaal” agrarisch bedrijf. Thomas Jans van der Leij huurde in die periode Koudenburg en zijn vrouw kocht het in 1842. Koudenburg is qua oppervlak waarschijnlijk wel altijd een groot bezit geweest. Het was niet floreenplichtig, dus je kunt dit niet met zekerheid stellen. Bij mij komt een beeld naar voren van een hoeve waar de agrarische activiteiten nevenactiviteiten zijn. Waarschijnlijk leefde men van de inkomsten van de tolheffing en de tapperij.

Wat ook op basis van de digitale kaart uit 1832 valt op te maken is dat bij de zathes 18, 19 en 20, drie oostelijke erven na de kerk,  nagenoeg geen hooi- en graslanden behoren. Hooilanden en wellicht ook gaslanden heeft men verderop in het dorpsgebied moeten aankopen. Dit blijk o.a. uit een akte uit 1843. Deze zathes liggen alle drie in het voormalige bezit van de familie Van Ewsum.

Dit hoofdstuk laat nog vele vragen over. Een grondige bestudering en de Reeëlboeken en de Speciboeken zal mogelijk meer duidelijkheid geven.


Versie: 2025 24 november

← Vorige: 5.2. PlaggenbemestingVolgende: 6. Het landschap op en rond Koudenburg →