Dorpen met essen en vergelijkbare agrarische nederzettingen, zij het met een andere structuur, zoals Haule, worden vaak in één adem genoemd met schaapskudden, schaapskooien, potstallen en heideplaggen. Al eeuwenlang, mogelijk zelfs een millennium, zo betoogt men, bevordert de wisselwerking tussen deze elementen de vruchtbaarheid van de akkers, wat leidt tot de vorming van de hooggelegen esgronden. We hebben echter bij Bieleman gezien dat deze ontwikkeling, met name in Noord-Nederland, genuanceerder ligt. Pas vanaf het begin van de 18e eeuw berust het bemestingssysteem daar in toenemende mate op het gebruik van heideplaggen. Daarvóór maken boeren vooral gebruik van ander humeus materiaal om het plantenvoedend vermogen van het bouwland te herstellen.
Kanttekening
Lange tijd is men van mening geweest dat esgronden vaak van hoge ouderdom zijn. De dikte zou een maat zijn voor de ouderdom. De eerste koolstof-14 metingen bevestigden dit beeld. Maar daar worden vraagtekens bij gezet. Immers, wat meet je. Dit kan organisch materiaal zijn dat eeuwenlang op het heideveld heeft gelegen, maar pas recent op de akker is gedeponeerd. De akkers kunnen eeuwenlang bemest zijn met een mengsel van strooisel en mest zonder dat er sprake is van noemenswaardige ophoging. Heideplaggen bestaan voor een groot deel uit niet-organisch materiaal waardoor de ophoging best heel snel kan gaan.
Tot in de 20e eeuw is men op de zandgronden voor de bemesting van akkers vrijwel volledig afhankelijk van dierlijke mest. Voor een optimale werking van deze meststoffen is het bovendien van belang dat de bovenste bodemlaag voldoende organische stof bevat. Ter ondersteuning van dit proces werd de potstal ontwikkeld: een systeem waarbij mest en organisch materiaal werden verzameld en omgezet in een goed verteerbare en hanteerbare meststof.
Het ging er als volgt aan toe. Tijdens de wintermaanden verblijft het vee op stal, wat het verzamelen van uitwerpselen relatief eenvoudig maakt. In de zomer echter graast het rundvee echter in de wei, waardoor de mest direct op het grasland terechtkomt en niet beschikbaar is voor gebruik op de akkers. Indien men alle mest van het rundvee wil benutten, zouden de dieren permanent op stal moeten blijven en daar gevoederd worden. Dit blijkt in de praktijk echter bijzonder arbeidsintensief en op grotere schaal nauwelijks uitvoerbaar.
Voor schapen hanteert men een ander systeem. ’s Ochtends worden zij door een herder – vaak in dienst van meerdere boeren – naar de heidevelden gebracht. Aan het einde van de dag keren de dieren terug naar de schaapskooi, waar zij de nacht doorbrengen. In deze kooi ligt droog strooisel, dat bijdraagt aan een schone en droge leefomgeving. Hoewel tegenwoordig meestal stro wordt gebruikt, was dit historisch gezien waarschijnlijk niet in voldoende mate beschikbaar. Bovendien fungeerde stro ook als noodrantsoen. Om die reden maakte men veelvuldig gebruik van heidemaaisel en heideplaggen als alternatief strooiselmateriaal.
Plaggenmaaier aan het werk. De plag wordt gemaaid
onder de linkervoet (omg. Dalfsen/Nieuw Leusen). Foto
/. Domhof, 1953 (Archief DLo-Staring Centrum, nrRy87).


Het steken van heideplaggen met de schop
(omg. Dalfsen/Nieuw
Leusen). Foto Domhof,
1953 (Archief DLO-Staring
Centrum, nrRy-85)
De combinatie van uitwerpselen en organisch materiaal uit de kooi verteert tot een vruchtbare mest, die vervolgens op de akkers wordt verspreid. De productie van deze mest vormt een belangrijke reden voor het houden van schaapskuddes in deze gebieden. De schaapskooi wordt eenmaal per jaar uitgemest, waarbij het verteerde materiaal wordt afgevoerd en toegepast als bodemverbeteraar.
Ook dit systeem vergt een aanzienlijke arbeidsinspanning. Gedurende een groot deel van het jaar is veel mankracht nodig voor het steken en vervoeren van plaggen, alsmede voor het uitrijden en verspreiden van de mest. Hiermee vormt de mestproductie via schaapskuddes een essentieel, maar intensief onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering op de zandgronden. Ik wil graag in dit verband nog iets citeren uit het boekje “Oosterwolde doe en now” waar in Hendrik Vondeling op schilderachtige wijze de inzet van mest en plaggen beschrijft.
“Veur de komst van de keunstmest wodde ver een pat et verlet an dong veurzien door het holen van grote koppels Drents schaopen. Dat kon want heide was er d’r wel. Die skaopen wodden nachs in hokken onderbrocht en zo wodde d’r een protte dong maekt. De boeren hier hadden zo goed as allemaol een bedrief mit heide en bouw. De skaopedong wodde veul bruukt op et bouwlaand en op de hoge grond, de essen. De goeie kaampen greide dichte bi’j huus kregen ok nog wel wat dong. Et ere laand, veerder van huus en de hujlaanden bi’j et Diep kregen veur de komst van de keunstmest niks; et was natuurlaand. Et sprekt van zels, dat d’r bargen heideplaggen veur de potstallen en de skaopehokken neudig waren. Bi’j de plaetsen stonnen in de haast da ok plaggebulten al boerschuren. D’r is in die tied hiel wat afwrot om die plaggen te stikken en bi’j huus te kriegen.”
In de literatuur lees je over verschillende wijze van opslag van plaggen met mest. In de eerste plaats een langzame ophoging van de plaggen en mest in de potstal; de schapen en koeien komen daarbij steeds hoger te staan. ’s Winters een prima methode; immers in het voorjaar kun je het zo uitrijden naar de akkers. In de rest van het jaar gaat dat minder eenvoudig; de akkers worden bewerkt en zijn later bedekt met de gewassen. Dan is tussenopslag nodig. De weke mest wordt in die periode naar het veld gebracht en daar vermengd met plaggen en ander organisch materiaal; zgn. broeibulten.
Voor het maaien van heide en het plaggen van heide heb je speciaal gereedschap nodig. In de inventaris van Koudenburg opgemaakt in 1841 kom ik dit niet tegen. Hierna zien we een metalen plaggenschop of plaggenspade. De plaggenspade (Fries: plachleppe) bestaat uit een gekromde houten S-vormige steel met een T-vormig handvat en een metalen spadegedeelte. Het blad van de spade is enigszins driehoekig, vlak en heeft aan de voorzijde in de lengte een opstaande rand. Ter bevestiging van het blad aan de steel is aan de bovenzijde van het blad een lip gesmeed. Deze lip is zodanig gebogen dat er een schacht ontstaat waarin de steel is geklemd. Plaggenschoppen gebruikte men voor het steken van heideplaggen (info: Fries Landbouwmuseum).

De heidezeis wordt ook wel slootzeis of kantzeis genoemd, dat gebruikt wordt om gras, riet en andere begroeiing langs oevers en taluds weg te maaien en uit te hakken. Zie hierna een moderne versie van het merk OFFNER

Het bemesten met heideplaggen heeft niet uitsluitend positieve gevolgen zoals aanvoer van nutriënten en een verbeterd vasthouden van water. Op den duur verzuren de gronden, met name in de onderste lagen, door het ondiepe ploegen waartoe met destijds slechts in staat was. Eind 19e eeuw heeft dit zelfs geleidt tot misoogsten.
Versie: 2025, 27 december