Inleiding
De Beneficiaalboeken zijn een belangrijke bron voor de geschiedenis van het middeleeuwse parochiewezen in Noord-Nederland. Omdat ze de huidige provincie Friesland beslaan is hun betekenis voor dit gewest uiteraard het grootst; met name voor de erin geboden informatie over de plattelandsparochies. De boeken zijn in 15432 vervaardigd op bevel van de landvoogdes Maria van Hongarije. Het zijn registers met gedetailleerde informatie over de grootte, waarde, belending en jaarlijkse opbrengst van de geestelijke goederen en het vermogen van de Friese parochiekerken, hun bedienaars en alle andere geestelijke instellingen, priesters en clerici die eraan verbonden waren.
Ik heb het gedeelte over Haule uit de Benificiaalboeken bewerkt om het leesbaarder en begrijpelijker te laten zijn en daarbij de historische kern en betekenis trachten te behouden. Ook heb ik enkele verduidelijkingen ingevoegd.
Ik heb vervolgens een aantal bevindingen opgeschreven naar aanleiding van dit Benificiaalboek. En heb natuurlijk vragen.
Beneficiaalboeken 1543 betreffende het dorp Haule
Haule
Dat posses, naestlanden aen beijden zijden djonkers van Eusma, getaxeert jaerlicx op twee golt guldens. Noch sestehalve mudden Sint Peters pacht. Noch zes coepmans guldens, een yder losslijck myt thien philippus guldens. Noch ses philippus guldens losselijck een yder myt thien philippus guldens.
Haule
Het bezit gelegen aan beide zijden (van de kerk), eigendom van de jonkers van Ewsum, wordt jaarlijks geschat op een waarde van twee gouden guldens. Daarnaast moet er zes en een halve mud (maat voor graan) aan Sint-Peterspacht worden betaald. Verder nog zes jaarlijkse renten van één koopmansgulden, elk afzonderlijk aflosbaar met tien Philippusguldens. Verder nog zes jaarlijkse renten van één Philipsgulden, elk af te kopen tegen tien Philipsguldens.
Wy ingesetene opter Haule, myt saempt dye gemene meente aldaer, Claes Egbes nu ter tyt stellinck opter Haule ende deWolden fogden aengaende rijcke ende alle gelycke, doen condich, vermits desen onser ceurbrieff de welcke heer Lubbert geresigneert heeft achte daegen voer Alder Godes Hilligen.
Wij, inwoners van de Haule, samen met de algemene gemeenschap aldaar, onder leiding van Claes Egbes, op dit moment Stelling op de Haule en de vertegenwoordigers van de Wolden, gericht aan rijk (en arm) en alle gelijken, maken hierbij bekend met deze akte (keurbrief), welke heer Lubbert acht dagen voor Allerheiligen (24 oktober) in 1529 heeft ondertekend.
Ten eersten dat pastoers erve met huijs, hoff ende heuren annexen mit twee dachmadt hoylants, gelegen toe Oisterwolde by dat Kerckpat, noch een madt hoylandes op Hilligemaet zonder voerweyde ende naeweyde, noch in Claes landt vijer roeden hoylants ende in Johan Michiels lant III½ roeden hoylandts ende in Roeloffs landt drije roeden hoylants.
Ten eerste het erf van de pastoor met huis, hof (tuin/erf) en de daarbij behorende dingen, met twee dagmaten hooiland, gelegen te Oosterwolde bij het Kerkpad. Verder nog een maat hooiland op Hilligemaet, zonder voorweide en naweide (dus alleen geschikt om hooi van te maaien, niet om te weiden). Verder in Claes’ land vier roeden hooiland en in Johan Michiels’ land drie en een halve roede hooiland. En in Roeloffs’ land drie roeden hooiland.
Item dit zijn die gelt renten:
Jan Wyberts stede twee carolus guldens, den dach te betalen tot Sint Jans midtsomer; noch Jan Bernts stede anderhalff philippus gl. of anderhalff mudde rogghe, noch de selve stede acht stuvers tot Sint Joannes midtsomer; noch Marten Foppens stede vyff ende twintich stuvers Sint Joannes midtsomer; noch Claes Eghberts erve, daer [49] Abel Brals op woont, twee keysers gl. toe Sinte Marten te betalen; noch een philippus over arve daer Jan Hendricx ende Jan Deenys op wonen; noch een philippus gl. op Johan Gerres, ende Grete Ruytenbors woent, de dach van betalinghe Sinte Jan midtsomer; noch een philippus gl. de welcke Jan Wybens heeft op syn lant toe Sinte Andries te betalen; noch Johan Wybens dardehalve philippus gl., den dach van betalinghe toe meye; noch over dach van betalinghe tot Sinte Marten; noch over Eghbert Jans arve dardehalve philippus gl. jaerlijcxe renten, dach van betalinge Sinte Lambert; noch zes ende vyftich vleemschen van lantrente, daerde pastoer dhoylanden selffs van gebruijckt van de oplanden, dach te betalen tot Sinct Peter.
Tevens zijn dit de geldelijke inkomsten:
Het erf van Jan Wybert: twee Carolusguldens, te betalen op Sint Jans Midzomer (24 juni).. Verder het erf van Jan Bernt: anderhalve Philippusgulden óf anderhalve mud rogge. Verder datzelfde erf: acht stuivers op Sint Jans Midzomer (24 juni). . Verder het erf van Marten Foppen: vijfentwintig stuivers op Sint Jans Midzomer. Verder het erf van Claes Eghbert, waar Abel Brals op woont: twee Keizers-guldens te betalen op Sint-Maarten (11 november). Verder een Philippusgulden op het erf waar Jan Hendricx en Jan Deenys wonen. Verder een Philippusgulden op Johan Gerres’ erf, waar Grete Ruytenbors (ook) woont, te betalen op Sint Jans Midzomer. Verder een Philippusgulden die Jan Wyben moet betalen over zijn land, op Sint Andriesdag (30 november). Verder Johan Wyben: anderhalve (1½)
Philippusgulden, te betalen op Mei-dag (1 mei of 12 mei 1e betaaldag) en op Sint-Maarten-dag (11 november 2e betaaldag). Verder op Egbert Jans’ erf: drie en een halve Philippusgulden als jaarlijkse rente, te betalen op Sint Lambertusdag (17 september). Tevens voor de hooilanden waar de pastoor (ook) zelf gebruik van maakt: zesenvijftig Vlaamse stuivers huur (vleemschen van landrente), van de “oplanden” (mogelijk hoger gelegen of verder van het centrum van een nederzetting), jaarlijks te betalen op Sint-Pieter (29 juni).
Item XXI steden yder een keyes schepel rogghe jaerlycxs toe Sinte Peter ende Marten stede een kees halve mudde of een halve philippus gulden.
Item XXI steden, yder vijer bollen des jaers, een yder bolle twee stuvers, ende jaertijden vijer stuvers, van olden dooden ende de achterdaden van olden dooden twee keysers gl., ende tusschen veerthijen of achtijen jaeren halff achterdaeden, de onjarige kinderen twee vleemsschen, die een de pastoer ende dander de patroen; oeck de boeckinge buyten carspels; noch over Jan Garres ende Grete erve een philippus gulden, de dach van betalinghe Translacio Martini.
Daarnaast: 21 erven leveren elk een keyes schepel rogge jaarlijks op Sint-Pieter (29 juni) en het erf van Marten levert een kees halve mudde rogge of een halve Philippus-gulden.
Ook leveren deze 21 erven jaarlijks vier broden, met een waarde van twee stuivers per brood.
Verder moeten er jaarlijks vier stuivers worden betaald voor dodenherdenkingen en verplichtingen voor overleden personen (Nalatenschappen met verplichtingen tot dodenherdenking) twee Keizers guldens. Voor kinderen onder 14–18 jaar: te betalen een halve nalatenschap en de onvolwassen kinderen 2 Vlaamse guldens (verdeeld tussen pastoor en patroon).
Daarnaast de boeking buiten het kerspel (het gebied dat onder het gezag van de parochiekerk valt). Een Philippus-gulden moet worden betaald door het erf van Jan Garres en Grete op de dag van de Translatie van Sint-Maarten (betreft Sint-Maarten, Martin van Tours, 4 juli).
Hijerentegens sal ons die pastoor Goodes woort leeren oprechtelycken ende van quaden straffen ende ytlicke sijn carrecht doen, hy sy jongh oft oldt, die gehene die opde Haule woenen naar ordinantie der Hilliger kercken, als hy hoert; alsoe verre, als daer enijge onwillich is, zoe mach de pastoer hem met de stellinck van stonden aen aff rechten, al dinck sonder arch.
Verplichtingen van de pastoor:
De pastoor zal het Woord van God eerlijk verkondigen, het kwade bestraffen en aan ieder zijn kerkelijke verplichtingen laten nakomen, jong en oud, die wonen op de Haule volgens de voorschriften van de Heilige Kerk, zoals het behoort. Indien iemand onwillig is, mag de pastoor samen met de Stelling direct overgaan tot rechtspraak, zonder enige belemmering.
Sint Peters pacht
De afdracht aan het Bisdom Utrecht. Ik lees ook wel bij andere dorpen: De renthen tpe Sinte Peter Cathedram en Ad Cathedram Petrii; letterlijk Latijn voor “aan de zetel van Petrus”, oftewel aan de bisschopszetel of het kapittel van Sint-Pieter, in dit geval de stad als Utrecht, waar een Sint-Pieterskerk of -kapittel bestond. Deze kerk was 200 jaar ouder de dom van Utrecht.
Koopmansgulden
De koopmansgulden is een rekeneenheid in de 16e eeuw, o.a. 1543 onder Karel V en wordt gebruik in handelsrekeningen, kerkelijke betalingen, en belastingafrekeningen. Een bedrag dat niet persé in muntstukken met die naam wordt voldaan, maar in een waarde-equivalent volgens de toen geldende koers van de koopmansgulden.
Koopmansgulden (coopmansgulden) rekenmunt ter waarde van 20 stuiver
Zes erven
De jonkers van Ewsum zijn jaarlijks belast met 2 goudguldens en 6 x een halve mud graan St. Petrus pacht. Verder betalen ze 6 “Koopmansgulden” (van 20 stuivers) en 6 Philipsgulden (ook van 20 stuivers)
Het bezit is gelegen aan beide zijden (van de kerk. Kijk ik naar de situatie van 1640/1696 dan blijk dat de erven 15 en 16, gelegen aan de westzijde van de kerk, en de erven 18 t/m 21 , gelegen aan de oostzijde van de kerk, totaal dus zes erven, nog steeds in het bezit zijn van de Van Ewsums.
De fogden
Het woord “fogden” in de zin ” Claes Egbes nu ter tyt stellinck opter Haule ende deWolden fogden ” uit het Beneficiaalboek verwijst waarschijnlijk naar een functie of titel. K. Brouwer haalt in zijn boek “Brink en Streek” (pg. 40) een gedeelte aan uit het Benificiaalboek Haule en ziet in de fogden de kerkvoogden. In he Benificiaalboek Oosterwolde wordt gesproken over: “Item dvogeden van Oosterwolde hebben bij heuren eedt gesecht dat…..”.
In historische context: vooral in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd, was een fogd of voogd een bestuurder of gezagdrager. In combinatie met het daaropvolgende woord “Wolden” zou “vertegenwoordiger” een passende vertaling kunnen zijn.
Maar dan, het woord Wolden.
De voor de hand liggende uitleg kan namelijk zijn dat de “vertegenwoordigers” van de Wolden uit Vredewold kwamen. Vredewold ligt in Drenthe tegen Ooststellingwerf aan. Zie kaartje hierna.

Begin 1500 verwerven de Van Ewsums (Ommelander hoofdelingengeslacht) verschillende heerden (boerenbedrijven) en gronden in Vredewold en zij verkrijgen in 1531 het erfelijk grietmanschap van Vredewold. Bovendien bezitten de Van Ewsums reeds (veen)grond in het aangrenzende Friese Haule. In 1508 was hier tenminste één pachter van hen gevestigd.
De van Ewsum’s bezitten, zo blijkt uit het Benificiaalboek van de Haule, in 1543 boerderijen op de Haule: “Het bezit, naastgelegen aan beide zijden aan de landerijen van de jonkers van Eusma, wordt jaarlijks geschat op een waarde van twee gouden guldens”.
Het is voor de hand liggend dat de familie Van Ewsum (zij van de Wolden) zich laten vertegenwoordigen bij het opstellen van het Benificiaal boek Haule.: “De Wolden fogden”. Immers bezitten de Van Ewsums het gehele oostelijke hoogveengebied. Deze gebieden werden in 1720 verkocht aan de familie Lycklama à Nijeholt.
Heer Lubbert
In de aanvang van het gedeelte Haule staat dat heer Lubbert de akte heeft getekend.
Popping citeert Burmania als hij een lijst met pastoors in Ooststellingwerf presenteert. Haule wordt daarin niet genoemd. Wel schrijft hij: “Te Donkerbroek, Donokerbroek, Duncbreuck. 157 * Lubbertus Albertie, pastoor.” En “1579 Lubbert, verliet in 1580 Friesland. Vermoedelijk wordt met Broeck, Donkerbroek bedoeld en zal Lubbert dezelfde zijn, die onder Donkerbroek als Lubbertus Albertie voorkomt.” Popping zegt van hem: “Deze verliet om des geIoofs wille in 1580 Friesland; keerde echter later terug en bleef Katholiek”.
De Benificiaalboeken werden echter 30 jaar eerder opgesteld. Mogelijk was deze Lubbert van Donkerbroek eerder pastoor op de Haule, of nog waarschijnlijker: hij diende beide parochies.
Een schepel rogge
“Item XXI steden yder een keyes schepel rogghe jaerlycxs toe Sinte Peter”. Dit doet mij denken aan een verklaring van het woord “Miskoren”: Daar over lees ik bij Henk Woolderink in zijn “Historisch boerderij-onderzoek in het richterambt Enschede. (2e versie)”: “al ver voor de reformatie, waarschijnlijk vanaf het ontstaan van de kerspelkerk, moeten de grote boeren binnen het gericht 1 schepel rogge als miskoren betalen aan de parochiekerk. Hiervan kunnen de voorgangers (pastoors en na de reformatie dominees) van een levensonderhoud worden voorzien.”
Keyes en kees
Wat betekent “een keyes” en ook “een kees” in de zin: . Item XXI steden yder een keyes schepel rogghe jaerlycxs toe Sinte Peter ende Marten stede een kees halve mudde of een halve philippus gulden.
In sommige historische documenten schijnt “keyes” en mogelijk ook `kees` naar keizerlijk te verwijzen, wat zou kunnen duiden op iets wat vastgesteld is door of ten behoeve van de keizer (Karel V in deze periode). Ik zou daarom keyes en kees willen op vatten als een (wettelijk) vastgestelde maat. Zeer vaak lees je in de Benificiaalboeken “Keysers gulden” dus ook met een y. In het Glossarium bij de Benificiaalboeken staat hierover: carolusgulden (karolusgulden, keizersgulden) goudgulden, ter waarde van 20 stuiver.
Ik kom woorden als keyes en kees, of daar op gelijkend, verder niet tegen in de Benificiaalboeken; wel Deventer, Friese, Steenwijker of Kamper schepels.
Schepel en mudde
Henk Bloemhof heeft een zeer lezenswaardige publicatie geschreven in De Vrije Vries (2014): “Nedersaksische elementen in de Stellingwerver Benificiaalteksten”. Hij schrijft over de schepel en de mudde:
Opmerkelijk in de Stellingwerver Beneficiaalboekteksten zijn ook enkele maateenheden. Het betreft de inhoudsaanduidingen door middel van schepel en mudde. Die waren elders in Nederland ook bekend, maar in de Beneficaalboekteksten worden ze alleen gebruikt voor de Stellingwerver regio en in de opgaven die beide Stellingwerver grietenijen doen over bezit in Noordwest-Overijssel. Het lijkt erop dat de woorden schepel en mudde in de Stellingwerven in zeer ruim gebruik waren………… Bij gebruik van de maateenheden schepel en mudde in de Beneficiaalboeken geldt iets vergelijkbaars (grote verschillen in liters). Moest men zich in de twintigste eeuw goed bewust zijn van de eenheid die precies bedoeld werd, in de zestiende eeuw eveneens. De schepel als inhoudsmaat wordt in de Beneficiaalboekteksten namelijk vaak voorzien van een regionale aanduiding, kennelijk uit de behoefte om duidelijk te zijn in de aanduiding van de standaard……………. In relatie tot de Beneficiaalboeken als geheel is het opmerkelijk dat aanduidingen door middel van Deventer, Steenwijk, Kampen, en ook nog Zwolle en Vollenhove met elk één vermelding tegenover de expliciete vermelding van ‘Friese maat’ juist in de Stellingwerven speelde, kennelijk niet elders in Friesland.
Nog één opmerking van Bloemhof:
Daarbij moet wel worden vermeld dat de betaling in munteenheden en niet in natura juist meer genoemd wordt in het overige Friese gebied, en minder in de Stellingwerven.
In het Glossarium bij de Benificiaalboeken lees ik: “De mud, mudde is een inhoudsmaat meestal bij graan. 1 mud is 4 schepel, ca. 430 tot 630 liter”.
Ik vind 430 tot 630 best een groot verschil en heel veel liters. Zeker als ik hierover elders lees.
Ik las op Genealogie.nl: Schepel (gewichtsmaat droge waren) is 27,875 liter (Amsterdamse schepel) of 41, 7 liter (Nijmeegse schepel). Na 1620 vastgesteld op 10 liter.
Tot slot: de inhoud van een mud (maat voor bijv. graan) bedraagt 111,5 liter (Amsterdamse mud) en 115,7 liter (Deventer mud). Later 100 liter.
Hilligemaet
“noch een madt hoylandes op Hilligemaet zonder voerweyde ende naeweyde,”
In 1882 wordt de Hilligermaat genoemd bij de verkoop van de zathe Koudenburg. Eigenaar is Antje Thomas van der Leij. Het betreft een gebied hooilanden dat ongeveer ligt, van uit Haule gezien, aan de overzijde van de Kuinder tegenover de Zwette, de grens tussen Donkerbroek en Haule dus. Het omvat waarschijnlijk meerdere percelen omdat gesproken wordt over “het stuk in de Hilligermad” dat wandelt met een stuk in de “Kortemaad”. Ook is in dat gebied sprake van het stuk “Halfmad in de Hilligermaad”. Sander Karsten Weemer, in 1832 eigenaar van de pastoriehoeve, heeft daar ook een perceeltje hooiland.
Waardeverhouding van muntstukken omstreeks ca. 1543
Om een beeld te krijgen van de meest gangbare munten en rekeneenheden in de periode 1540–1560 heb ik een overzicht gemaakt Ze hebben betrekking op de regio Friesland en Drenthe (bron: ChatGPT).
| Muntsoort / Rekeneenheid | Oorsprong | Lokale waarde in stuivers (ca.) | Opmerkingen |
| Carolusgulden | Zilveren munt van Karel V (ingevoerd vanaf 1521) | ± 20 stuivers | Officiële “gulden” in de Nederlanden na 1521; in Friesland sinds 1524 ook als rekeneenheid. |
| Keizersgulden | Rekeneenheid naar Rijnlandse muntvoet (keizerlijk) | ± 22 stuivers | Iets meer waard dan de Carolusgulden; veel gebruikt in handel met Duitse gebieden en in Drentse boekhouding. |
| Philippusgulden | Gouden munt van Filips de Schone (1496–1506) | ± 20 stuivers | In 1543 meestal geen fysieke munt meer in roulatie, maar nog wel in oude contracten en als rekenterm. |
| Koopmansgulden | Rekeneenheid gebruikt door handelaren | ± 20 stuivers | Stabiele rekenmaat voor handel; geen munt maar boekhoudkundige eenheid. |
| Rijksdaalder | Zilveren munt volgens Rijksmuntvoet (Duits Rijk, ca. 1566) | ± 48–50 stuivers | Zwaardere munt dan de gulden; in opkomst in tweede helft 16e eeuw. |
| Philipsdaalder | Zilveren daalder uitgegeven door Filips II (vanaf 1557) | ± 48 stuivers | Populaire grote munt in de Nederlanden; verdringt later deels de Carolusgulden als rekenbasis. |
| Duit (of Deut) | Klein koperen muntje (1/8 stuiver) | ⅛ stuiver | Veel gebruikt voor dagelijkse betalingen; vooral in steden. |
| Oort (of Ortken) | Kwartstuiver | ¼ stuiver | Kleingeld, vaak vermeld in parochierekeningen. |
| Penning | Oudere kleinst rekeneenheid (1/16 stuiver) | 1/16 stuiver | Term bleef in gebruik als rekenterm, niet altijd als echte munt. |
| Pond Vlaams / Pond Hollands | Rekeneenheid (rekening in ponden, schellingen, penningen) | 1 pond = 20 schellingen = 240 penningen ≈ 6 Car.guldens | Vooral gebruikt in administratieve en kerkelijke boekhouding; oudere middeleeuwse rekeneenheid. |
| Schelling | Rekeneenheid (12 penningen) | ± 6 stuivers | Tussenmaat; bleef als rekenterm nog lang gangbaar. |
| Albertsgulden | Munt van Albrecht van Saksen (Friesland 1490–1500) | ± 20 stuivers | Oudere munt, nog in gebruik in vroege 16e eeuw; later vervangen door de Carolusgulden. |
| Stuiver | Zilveren munt, 1/20 Carolusgulden | 1 stuiver | Basis kleinmunt en rekeneenheid; waarde t.o.v. de gulden redelijk stabiel. |
Muntsoort / Rekeneenheid | Oorsprong | Lokale waarde in stuivers (Friesland/Drenthe ca.) | Opmerkingen |
| Carolusgulden | Zilveren munt van Karel V (ingevoerd vanaf 1521) | ± 20 stuivers | De officiële “gulden” in de Nederlanden na 1521; in Friesland sinds 1524 ook als rekeneenheid. |
| Keizersgulden | Rekeneenheid naar Rijnlandse muntvoet (keizerlijk) | ± 22 stuivers | Iets meer waard dan de Carolusgulden; veel gebruikt in handel met Duitse gebieden en Drentse boekhouding. |
| Philippusgulden | Gouden munt van Filips de Schone (1496–1506) | ± 20 stuivers | In 1543 meestal geen fysieke munt meer in roulatie, maar nog wel in oude contracten en als rekenterm. |
| Stuiver | Zilveren munt, 1/20 Carolusgulden | 1 stuiver | Basis kleinmunt en rekeneenheid; waarde t.o.v. de gulden fluctueerde niet veel in deze periode. |
21 erven
Het Benificiaalboek van Haule heeft het twee keer over 21 erven.
Dat spoort niet met de 20 stemmen in het stemcohier. In een ander artikel betreffende Koudenburg heb ik aannemelijk gemaakt dat er mogelijk een hoeve is verdwenen ten oosten van Koudenburg en misschien wel meerdere.
Wat mij ook opvalt is dat 21 erven wel ieder een schepel rogge en enkele broden moeten leveren, maar dat betrekkelijk slecht weinig erven belast zijn met geldelijke afdrachten; het zijn er hooguit 7 hoeves. Waar deze lagen is mij niet bekend.
Grete Ruytenbors
Citaat uit het Beneficiaal boek van Haule: “op Johan Gerres, ende (1533) Grete (1534) Ruytenbors woent, de dach van betalinghe Sinte Jan midtsomer” (1533: Hierna doorgehaald ‘Jacob’[?]. 1534: Later toegevoegd Grete.). Ik heb dat zo vertaald: Verder een Philippusgulden op Johan Gerres’ erf, waar Grete Ruytenbors (ook) woont, te betalen op Sint Jans Midzomer. Jan Garres en Grete hebben ook nog gronden buiten de parochie Haule liggen zo lezen we. Ik kom hun naam, in welke spelling dan ook niet tegen in de andere Befificiaalboeken.
Ruytenbors zou een verschrijving kunnen zijn van Ruytenborg, Mijn gedachten gaan dan uit naar een Twents geslacht (Dalfsen, Vollenhoven, Coevorden). Andere schrijfwijzen: Ruytenborch of Ruytenberg, of Rutenberg.
Het geslacht Rutenberg was ooit leenplichtig aan de bisschop van Utrecht.
Grete komt mogelijk van Margarete.
Ik heb de naam Grete Ruytenberg nergens kunnen vinden.
Wel vond ik familierelaties tussen de Van den Ruytenbergh en de van Ewsum’s. Zo was Johan van Rechteren (-1550), een zoon van Otto van Rechteren (ca 1410-1477) en Stefanio van de Rutenbergh (ca 1438-1479), getrouwd met Evertje van Ewsum (ca 1468-). Voor mij een te ingewikkelde materie om uit te zoeken wie wie is; te meer omdat een man ook wel de naam van zijn vrouw aan nam of van zijn moeder.
| De familie Van den Ruitenberg ontleende haar naam aan de havezate Ruitenborgh, gelegen in de buurschap Ankum (Dalfsen). De havezate werd voor het eerst vermeld in 1328 als kasteel (castrum) Rutenberghe. De naam van het goed is afgeleid van de Ruite of Rute, een uitgestrekt gebied tussen Dalfsen en Rouveen. Oorspronkelijk was de Ruitenborgh, net als het huis Ten Clooster bij Coevorden, eigendom van de graven van Bentheim. In 1328 werden beide huizen (Ten Clooster en Ruitenborgh) door graaf Johan van Bentheim en zijn zoons Simon en Otto, verkocht aan de bisschop van Utrecht, Jan van Diest. Ze bleven echter leenbezit van de Van den Ruitenbergs. De Ruitenborgh bleef tot 1545 de zetel van het adellijke geslacht Van Rutenberg. 7 Ook In Vollenhove lag een havezate van de familie. Oldruitenborgh dateert uit het laatste kwart van de 14e eeuw en dat werd gebouwd door Pelgrim Egberts van den Rutenberg, schout van Vollenhove (ongeveer 1370-1438).8 (bron: Histoforum: Van den Clooster). PS In 1328 is Eiso van Rutenberg (Eisonem de Rutenberghe) één van de scheidsrechters, arbiters of minnelijke bemiddelaars aangesteld in het conflict omtrent de afscheiding van de Stellingwerven |
Jan Garres en Grete hebben ook grond buiten het kerspel Haule. Waar is nog onbekend.