Koudenburg Haule

5.1. De dynamiek van het boerenbedrijf in onze regio.

Jan Bieleman publiceert in 1987 zijn proefschrift Boeren op het Drentse zand 1600–1910, waarin hij laat zien dat de landbouw op de Drentse zandgronden – en ook op vergelijkbare gronden zoals in Zuidoost-Friesland – door de eeuwen heen dynamisch in zijn ontwikkeling is.

De boerderijen op Haule lijken qua vorm niet op de esdorpen die je in Drenthe veel ziet, maar de manier van boeren vertoont wel overeenkomsten. Op de Haule liggen akkers, weiden en hooilanden vaak aaneengesloten voor en achter de boerderij, vanwege de aanwezige oecotopen. In esdorpen zijn die gronden juist verspreid over het dorpsgebied om dezelfde ecologische redenen.

Een boerenbedrijf werd door zijn bewoners eeuwenlang niet primair gezien als een winstgerichte onderneming, maar als een middel tot bestaanszekerheid. De bedrijfsvoering was dan ook gericht op het behouden en vergroten van die zekerheid. Risicospreiding stond daarbij centraal om kwetsbaarheid te beperken. Vanuit dat perspectief is het voorstelbaar dat de verhouding tussen heide, akkerland en wei- en hooilanden eeuwenlang redelijk stabiel bleef. Op de Haule zal weinig voor de markt zijn geproduceerd. Met name de kleinere bedrijven produceerden in de eerste plaats voor de eigen voedselvoorziening en de continuïteit van het bedrijf (zie Jan Slofstra, Van Eden tot Heden, p. 113).

Nog in de eerste helft van de 17e eeuw domineert een type bedrijf met een opvallend “grote” veestapel. Onder invloed van de opkomende textielnijverheid heeft de schapenhouderij zich sinds de tweede helft van de 16e eeuw sterk uitgebreid. Deze tak van het bedrijf blijkt echter zeer kwetsbaar. Door het natte milieu van de wilde gronden worden de schapen bij slecht weer regelmatig getroffen door leverbot, waardoor soms duizenden tegelijk sterven en de bedrijfsvoering ernstig verstoord raakt.

Hoewel de veehouderij in deze periode een belangrijke rol speelt op het boerenbedrijf, blijft de akkerbouw de centrale pijler. Een deel van die akkerbouw heeft een extensief karakter. In de verder weg gelegen delen van het bouwland past men het drieslagsysteem toe: gronden worden beurtelings bebouwd en langdurig braak gelegd. Die braakperioden zorgen voor humusopbouw, wat de bodemstructuur op de lange termijn verbetert. Hierdoor kan men af en toe rogge verbouwen zonder gebruik van mest of extra arbeid, wat het systeem efficiënt en arbeidsbesparend maakt. Op andere delen van het bouwland, vaak dichter bij de boerderij, hanteert men een tweeslagsysteem, waarbij geen braak wordt toegepast. Uitwerpselen worden als bemesting ingezet. In potstallen wordt de mest op gevangen in strooisellagen. Denk daarbij aan afgemaaide heide, organische materialen uit de bossen en andere organische reststoffen (bijvoorbeeld slootmaaisel).

In de eerste helft van de 17e eeuw groeit de economie, zichtbaar in de uitbreiding van de veestapel en het ontstaan van nieuwe groenlanden. Na 1660 keert dit tij: agrarische prijzen, met name die van rogge, dalen langdurig en zorgen voor toenemende druk op boerenbedrijven. Boeren in de “esdorpen” proberen hun productie op te voeren door intensievere bedrijfsvoering, waarbij meer arbeid wordt ingezet, vaak ook in de vorm van seizoenarbeid. Ze benutten eerder extensief gebruikte gronden nu intensiever, onder andere voor boekweit en later aardappelen. Daardoor kunnen ze meer rogge verkopen, wat vooral grotere boeren stimuleert om nieuwe gewassen eerder te omarmen. Deze omschakeling vraagt om extra bemesting en arbeid.

Dit zet zich door in de volgende eeuw. Jan Slofstra constateert in het hier voor genoemde boek op pagina 112 dat in de 18e eeuw het areaal esgronden niet toeneemt; de vruchtbaarheid van de essen probeert men in die jaren verder te verhogen met het toepassen en de intensivering van plaggenbemesting.

Voor Haule blijkt uit het onderzoek van dr. J.A. Faber naar de economische en sociale ontwikkelingen van 1500 tot 1800 (“Drie eeuwen Friesland”) dat tussen 1750 en 1800 het areaal bouwland halveert (niet procentueel, maar werkelijk). Mijn veronderstelling is dat dit op de Haule komt doordat onvoldoende plaggen kan produceren. Het hogere deel van de zandrug is daarvoor minder geschikt. Bovendien begint men het verder liggende veen-heidegebied af te graven en is het dus niet meer beschikbaar voor beweiding met schapen; en dus geen mest.

Maar ook andere omstandigheden beïnvloeden de agrarische bedrijfsvoering; waar je boert maakt soms ook verschil. Na 1690 zien we een verschuiving van rundvee naar schapen, versterkt na de veepest van de jaren 1740, die de rundveestapel zwaar treft. Buiten het kerngebied van de esdorpen, langs de randen van het Drents Plateau intensiveren de boeren hun bedrijf echter juist in een tegenovergestelde richting. Daar vindt een meer op rundveehouderij gerichte specialisatie plaats, ten gevolge waarvan de aantallen runderen er dan ook groter werden. Ook in Haule en omgeving zie je dat het aantal koeien verdubbelt in die jaren wel. Hier kan sprake zijn van marktwerking. Maar het cijfer wordt ook vertekend doordat de verveende en daarna ontgonnen gronden, bijvoorbeeld in wat later Waskemeer en Haulerwijk worden, in gebruik zijn genomen als weiland (Faber p. 202).

Ik heb het vermoeden, maar geen bewijs, dat de toch al niet geweldige welvaart van de streek in die periode er zeker niet beter op is geworden.

Vanaf circa 1840 groeit de veestapel in de esdorpen opnieuw, na anderhalve eeuw van afname – vooral het aantal paarden, runderen en varkens neemt snel toe. In de varkenshouderij voert men een nieuw varkenstype in om te voldoen aan de toenemende vraag. Door een gunstigere prijsverhouding tussen vee en graan schakelen veel boeren over op een bedrijfsvoering waarin gewassen steeds vaker dienen als veevoer. Hierdoor verdwijnt de zomerrogge geleidelijk van het bouwland en maakt plaats voor de arbeidsintensieve aardappelteelt, die van groot belang wordt voor de varkensmesterij.

Hoe belangrijk dierlijke mest was blijkt uit een veroordeling vijftig jaar daarvoor. In 1837 wordt Jan Bleessie veroordeelt omdat hij in de nacht mest uit zijn stal buiten de Koloniën (Frederiksoord) heeft gebracht op een stuk land, die hij van een boer huurt. De straf liegt er niet om: hij wordt met zijn huisgezin voor onbepaalde tijd overgeplaatst naar de Ommerschans plus een boete die het dubbelde bedraagt van het ontvreemde.

De eerste vormen van kunstmest die rond het midden van de jaren 1880 op de Drentse zandgronden en dus ook in onze streken in gebruik komen betreft vooral kaïniet, een kalimeststof, Deze wordt aanvankelijk uitsluitend op groenland gebruikt. Kort daarop gevolgd door het fosforhoudend Thomasslakkenmeel. Vanaf 1950 stijgt het gebruik van kunstmest, met name stikstof, explosief. Dit leidt tot een ingrijpende verandering van het landschap.

In de krant vond ik nog een aardig documentje over dit onderwerp. Een advertentie uit 1895 van mijn overgrootvader, van mijn moederskant, Jan Tjibbes Bouma. 8500 kilo Thomas Slakkenmeel en 8500 kilo Kainit is per schip aangevoerd en wordt te koop aangeboden “op de wal”. In Oosterwolde was toen blijkbaar al een landbouwvereniging die centraal kunstmest inkocht


Versie: 2025, 27 december

← Vorige: 5. De agrarische ontwikkeling van Haule en KoudenburgVolgende: 5.2. Plaggenbemesting →