Geomorfologie betekent “Hoe het landschap is gevormd en waarom het eruitziet zoals het eruitziet.”
De basis voor het landschap van Haule en Koudenburg, met zijn hoogteverschillen zoals we dat nu kennen, is gevormd in het Pleistoceen. Tijdens deze periode, met name in het Saale-glaciaal (ca. 230.000 tot 125.000 geleden), is onder het voortstuwende gletsjerijs een compacte, kleiige laag afgezet; vaak met keien erin. Het zogenaamde keileem is soms wel 8 meter dik. De ijskap bewoog zich in Noord-Nederland grofweg van noordoost naar zuidwest. Reden waarom de achtergebleven keileemruggen ook die oriëntatie hebben.
Haule en Koudenburg zijn gelegen op, wat wij noemen, de westflank van het Drentse Keileemplateau. Dit plateau zoals we dit nu kennen is niet vlak. Door de druk van het ijs zijn stuwwallen en stuwwalachtige structuren ontstaan, met name rond de Havelterberg en in het zuidwesten van de provincie. Aan het einde van de Saale-ijstijd, ongeveer 150.000 jaar geleden, begon een smalle ijsstroom, ook wel een ijsrivier genoemd, te bewegen; een wereldwijd uniek fenomeen van megaflutes . Deze ijsrivier trok vijf diepe, parallelle ruggen en laagten door Drenthe, waaronder de Hondsrug en de Rug van Rolde.
Het smeltwater van de gletsjers zorgde sleet brede dalen in de keileemrug, waarin later vlechtende riviersysteempjes doorheen liepen; zoals de Kuinder. Het oorspronkelijke stroomdal van de Kuinder was diep uitgesleten, maar raakte in de loop der tijd grotendeels opgevuld met sediment. Wat overbleef, was een smalle, meanderende beek in een breed beekdal. De laagte van Haulerwijk ten noorden van Haule is ook, zij het deels dicht gestoven, ontstaan door een smeltwaterstroom. In het boek “Van Eden tot Heden”, over de geschiedenis van het dorp Een, pleit Jan Slofstra (1938 – eerder archeoloog verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam) ervoor deze laagte van Haulerwijk, de “Bovenste Tjonger” te noemen.
Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (90.000 – 10.000), zorgden poolwinden ervoor dat zandige sedimenten werden meegevoerd en opnieuw werden afgezet. Deze zandafzettingen zorgden ook voor een nivellering van het oorspronkelijke keileemreliëf. In de bodemkunde (bijv. voor de beschrijving van bodemtypen) is niet de exacte dikte, maar vooral de textuur (zandig), herkomst (eolisch), en ligging (bovenop andere lagen) van belang. Diezelfde wind leidde ook tot de vorming van echte dekzandruggen (ruggetjes) op plaatsen waar het zand werd ingevangen door begroeiing. Op andere plaatsen ontstonden uitblazingsvlakten tot op het keileem.
Boven op de zandrug aan de noordzijde van Haule bevinden zich deze zanderige gebieden. Ze worden op een kaart uit 1750 aangeduid als “zandig” en “zandhaar”. Hier en daar wisselen deze zanderige gebiedjes zich daar af met verveende laagtes en ondiepe meertjes. In het gebied staan dan ook kleine meertjes/vennetjes getekend met het bijschrift: “Bij De Winter Water Daarin Maar Bij Zoomer Droog”. Het keileem ligt op de rug van Haule/Koudenburg vrij dicht aan de oppervlakte; soms op 50 centimeter diepte. De gronden zijn dan ook gevoelig voor natte en droogte.
De hierna getoonde Geomorfologische Kaart geeft op detailniveau informatie over reliëf, ontstaanswijze en ouderdom van het gebied Koudenburg. Daarnaast wordt aanvullende informatie gegeven over afwijkende geologische afzettingen in de bovengrond en eventuele bijzonderheden in het reliëf.

Bron: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2021)
Op dit kaartje staan cijfers die overeenkomen met de volgende omschrijvingen:
I B53: Dekzand-rug. Dekzandruggen zijn terreinverheffingen met flauwe hellingen, die grotendeels onder arctische omstandigheden in het Weichselien door de wind zijn gevormd.
II L11: Grondmorenewelvingen. Dikwijls komt het voor dat een afzetting geen vlak oppervlak bezit, maar uit een moeilijk te ontwarren aaneenschakeling van welvingen bestaat. Dit geldt ook voor het door het landijs getransporteerde materiaal, de grondmorene, waar flauwe welvingen naast lagere delen veelvuldig voorkomen.
III, V en VII R23: Dalvormige laagte. De vormsubgroep dalvormige laagten (R23) omvat langgerekte, relatief ondiepe terreindepressies die niet gelinkt kunnen worden aan een beek- of riviersysteem. Ze hebben hun ontstaan grotendeels te danken aan het oppervlakkig afstromen van sneeuwsmeltwater over de diep bevroren ondergrond van een zwak hellend terrein tijdens het Weichselien.
VI R42: Beekdalbodem. Het laagst gelegen vlakke deel van het dal van een ingesneden beek of kleine rivier. Beekdalbodems kunnen zowel aan weerzijden begrensd worden door fluviatiele terrassen die bij het insnijden van de beek zijn ontstaan, als door een dekzand- of glaciaal landschap. Veel beekdalen zijn van oorsprong diepe glaciale erosiedalen die gedeeltelijk zijn opgevuld met (sneeuw)smeltwater afzettingen. Vanaf het Laat-Pleistoceen is onder invloed van het klimaat en de zeespiegelstijging in, met name beekdalen met een gering verhang, veenvorming op gang gekomen.
De donkergroene stip bovenaan is een uitblazingskom. Uitblazingskommen zijn geïsoleerde laagten (veelal tussen dekzandwelvingen in zandgebieden). Deze depressies zijn gevormd doordat de wind het dekzand op deze locaties heeft uitgeblazen tot op een vochtige of slecht doorlatende onderliggende laag. De gevormde laagte is relatief ondiep (tot maximaal 2,5 meter) en kan gevuld zijn met water of venig materiaal. Qua vorm zijn uitblazingskommen vaak niet te onderscheiden van pingoruïnes.
Kun je wel spreken van een dekzandrug? Een dekzandrug wordt gedefinieerd als een door de wind gevormde rug volledig opgebouwd uit dekzand. De rug van Koudenburg is feitelijk een keileem-rug. Normaal spreek je dan niet van een dekzand-rug, maar van een keileem-rug met dekzandbedekking.
Kenmerkend van dekzanden zijn de paraboolduinen. Paraboolduinen hebben armen die in de richting van waar de wind vandaan komt wijzen. De lijzijde van het duin (luwtezijde) heeft een steile helling. Een actief paraboolduin verplaatst zich met de wind mee, met de bolle ‘kop’ naar voren. Het paraboolduin wordt aan de loefzijde (windzijde) altijd begrensd door een uitblazingsvallei. Op voorgaand kaartje van het gebied Koudenburg zie je dit enigszins.
Hierna wordt de Keileemdieptekaart van het gebied weergegeven.

Bron:https://edepot.wur.nl/464454?utm_source=chatgpt.com
LEGENDA
I Keileem beginnend tussen 40 en 80 cm – mv
II Keileem beginnend tussen 80 en 120 cm – mv
Blanco Keileem voornamelijk dieper dan 120 cm – mv
10 Begindiepte van de keileemondergrond in dm – mv
Versie: 27 december 2025