Koudenburg Haule

12. Het boerenbedrijf Koudenburg

De eeuwen voor 1800 was het boerenbedrijf op de flanken van het Drentse Plateau lang niet zo statisch als eerder werd gedacht. Ik ga hier wat uitgebreider op in.
Het boerenbedrijf Koudenburg, zoals dat blijkt uit de kadastrale kaart van 1832 en de akte uit 1842, is een typisch voorbeeld van een doorgaande hoeve in dit gebied aan de westzijde van het Drentse plateau. Het maakt deel uit van een wegdorp en ligt op een zandrug. Kenmerkend, ook voor de zathe Koudenburg, is de strokenverkaveling. Een dergelijke hoeve benut in één hoevestrook de verschillende oecotopen: riviertje, hooiland, weiland, heide, (bouwland), erf, weg bouwland, heide.

Doordat er uit 1841 een inventaris aanwezig is van de bezittingen van en op de zathe Koudenburg hebben we ook een aardig inzicht hoe het boerenbedrijf toen functioneerde. Ik heb daarbij wel een belangrijke kanttekening gemaakt naar aanleiding van de speciekohieren. Koudenburg blijkt niet een doorsnee bedrijf zoals je die op Haule toen tegen kwam.

Het boerenbedrijf door de eeuwen
Jan Bieleman publiceert in 1987 zijn proefschrift “Boeren op het Drentse zand 1600–1910”, waarin hij laat zien dat de landbouw op de Drentse zandgronden – en ook op vergelijkbare gronden zoals in Zuidoost-Friesland – door de eeuwen heen dynamisch in zijn ontwikkeling is.
De boerderijen op Haule lijken qua vorm niet op de esdorpen die je in Drenthe veel ziet, maar de manier van boeren vertoont wel veel overeenkomsten. Op de Haule liggen akkers, weiden en hooilanden vaak aaneengesloten achter en voor de boerderij; dit vanwege de aanwezige oecotopen. In esdorpen zijn die gronden juist verspreid over het dorpsgebied om dezelfde oecotopische redenen.
Een bedrijf is eeuwenland niet primair gezien als een winstgerichte onderneming, maar als middel tot bestaanszekerheid. De bedrijfsvoering richte zich daarbij op het behouden en vergroten van die zekerheid. Risicospreiding stond daarbij centraal in de aanpak om kwetsbaarheid te beperken.
Ik kan mij voorstellen dat eeuwenlang de verhouding heide, akkerland, wei- en hooilanden redelijk stabiel was.
Op de Haule werd heel lang niet zoveel voor de markt geproduceerd. Zeker de wat kleinere bedrijven produceerden in de eerste plaats voor de eigen voedselvoorziening en de continuïteit. Ik heb dit overgenomen van Jan Slofstra in het boek “Van Eden tot Heden” (p. 113)

Nog in de eerste helft van de 17e eeuw domineert een type bedrijf met een opvallend “grote” veestapel. Onder invloed van de opkomende textielnijverheid breidt de schapenhouderij in Drenthe zich sinds de tweede helft van de 16e eeuw sterk uit. Deze tak van het bedrijf bleek echter zeer kwetsbaar. Door het natte milieu van de wilde gronden werden de schapen bij slecht weer regelmatig getroffen door leverbot, waardoor soms duizenden tegelijk stierven en de bedrijfsvoering ernstig verstoord raakt.

Hoewel de veehouderij in deze periode een belangrijke rol speelde op het boerenbedrijf, bleef de akkerbouw de centrale pijler.
Een deel van die akkerbouw had een extensief karakter. In de verder weg gelegen delen van het bouwland paste men het driessysteem toe: gronden werden beurtelings bebouwd en langdurig braak gelegd. Die braakperioden zorgden voor humusopbouw, wat de bodemstructuur op de lange termijn verbeterde. Hierdoor kon men af en toe rogge verbouwen zonder gebruik van mest of extra arbeid, wat het systeem efficiënt en arbeidsbesparend maakte.
Op andere delen van het bouwland hanteert men een tweeslagsysteem, waarbij geen braak wordt toegepast.

In de eerste helft van de 17e eeuw groeit de economie, dit wordt zichtbaar in de uitbreiding van de veestapel en het ontstaan van nieuwe groenlanden. Na 1660 keert dit tij: agrarische prijzen, met name die van rogge, dalen langdurig en zorgen voor toenemende druk op boerenbedrijven. Boeren in de esdorpen proberen hun productie op te voeren door intensievere bedrijfsvoering, waarbij meer arbeid wordt ingezet, vaak ook in de vorm van seizoenarbeid. Ze benutten eerder extensief gebruikte gronden nu intensiever, onder andere voor boekweit en later aardappelen. Daardoor kunnen ze meer rogge verkopen, wat vooral grotere boeren stimuleert om nieuwe gewassen eerder te omarmen. Deze omschakeling vraagt om extra bemesting en arbeid.

Dit zet zich door in de volgende eeuw. Jan Slofstra constateert in het hier voor genoemde boek op pagina 112 dat in de 18e eeuw het areaal esgronden echter niet toeneam; de vruchtbaarheid van de essen probeerde men in die jaren verder te verhogen met de intensivering van plaggenbemesting.

Voor Haule blijkt uit het onderzoek van dr. J.A. Faber naar de economische en sociale ontwikkelingen van 1500 tot 1800 (“Drie eeuwen Friesland”) dat tussen 1750 en 1800 het areaal bouwland halveert (niet procentueel, maar werkelijk). Mijn veronderstelling is dat dit komt doordat men op de Haule onvoldoende plaggen kan produceren. Het bovenste deel van de zandrug was daarvoor minder geschikt. Bovendien begon men het verder liggende veen-heidegebied af te graven voor turfwinning en was het dus niet mee beschikbaar voor beweiding met schapen; en dus geen mest.
Maar ook andere omstandigheden beïnvloedden de agrarische bedrijfsvoering; waar je boerde maakt dan soms ook verschil. Na 1690 zien we een verschuiving van rundvee naar schapen. Dit werd versterkt na de veepest van de jaren 1740, die de rundveestapel zwaar trof. Buiten het kerngebied van de esdorpen, langs de randen van het Drents Plateau intensiveerden de boeren hun bedrijf echter juist in een tegenovergestelde richting. Daar vond een meer op rundveehouderij gerichte specialisatie plaats, ten gevolge waarvan de aantallen runderen er dan ook groter werden. Ook in Haule en omgeving zie je dat het aantal koeien verdubbelt in die jaren wel. Hier kan sprake zijn van marktwerking geweest. Maar het cijfer wordt m.i. ook vertekend doordat de verveende en daarna ontgonnen gronden, bijvoorbeeld in wat later Waskemeer en Haulerwijk werden, in gebruik zijn genomen als weiland (Faber p. 202).

Ik heb het vermoeden, maar geen bewijs, dat de toch al niet geweldige welvaart van de streek in die periode er zeker niet beter op is geworden.

Vanaf circa 1840 groeit de veestapel in de esdorpen opnieuw, na anderhalve eeuw van afname – vooral het aantal paarden, runderen en varkens neemt snel toe. In de varkenshouderij voert men een nieuw varkenstype in om te voldoen aan de toenemende vraag. Door een gunstigere prijsverhouding tussen vee en graan schakelden veel boeren over op een bedrijfsvoering waarin gewassen steeds vaker dienden als veevoer. Hierdoor verdween de zomerrogge geleidelijk van het bouwland en maakte plaats voor de arbeidsintensievere aardappelteelt, die van groot belang werd voor de varkensmesterij.

Beschrijving van het boerenbedrijf op Koudenburg in 1841
Ik richt de aandacht nu specifieker op de zathe Koudenburg. Ik doe dit aan de hand van zaken die mij opvallen in verkoopaktes.

De boerderij Koudenburg ligt, blijkens de verkoopakte uit 1882, met de voorkant naar het zuiden waarbij de doorgaande weg naar Veenhuizen scheef over het erf loopt.
Er is sprake van een “brink”. Maar deze brink moet/kan worden opgevat als de randen van een erf, of een deel van het erf (K. Brouwer in zijn proefschrift “Brink en Streek”, blz. 21 en 73). In dit geval begroeid met bomen. De bouwlanden liggen aan de hoger liggende noordzijde.

Bij sommige percelen is sprake van wallen ten behoeve van de kering van schapen en wild. Deze wallen zullen vast begroeid zijn geweest met een dichte (doorn)haag.

Schapen
In 1832 omvat het bezit van de hoeve Koudenburg 15 hectare bouwland en ruim 100 hectare heide. Volgens K. Brouwer (blz. 58) is een verhouding van bouwland tot heide van 1 op 3 tot 7 in die tijd vrij gebruikelijk. De heide werd gebruikt als graasgrond voor schapen, maar zeker zo belangrijk was het steken van plaggen – meestal eens in de vijf jaar. Bij de boerderij stond een schapenhok, of kooi, waar de schapen iedere avond naartoe worden gedreven.

De schapen leverden wol en vlees, maar hun mest vormde de echte kern van het systeem. In de potstal mengden ze hun mest met heideplaggen, die later dienen als waardevolle bemesting voor het bouwland. Hooi- en weilanden voorzagen in bijvoedering en wintervoer. In 1842 telde Koudenburg twee Friese schapen en 26 Drentse. De Friese schapen, getaxeerd op zes gulden per stuk, waren vooral bedoeld voor melk en vlees; de Drentse, gemiddeld acht gulden waard, spelden een centrale rol in de mestproductie.

Ten oosten van de hoeve lag het Mandeveld, een gemeenschappelijk graasgebied waar meerdere boeren hun schapen mochten weiden. De Schapedrift van het dorp liep ten zuiden van Koudenburg naar dit veld. De heidevelden ten noorden van de zathe reikten tot aan de noordelijke veenscheiding en bestonden vermoedelijk grotendeels uit zandgrond zonder veen. Verder richting Haulerwijk en Veenhuizen begon het veengebied, dat in 1832 wordt aangeduid als “hoogveen”.

Stem 20 strekt zich in 1832 zuidwaarts uit tot aan de bovenloop van de Kuinder of Tjonger. Op de kadastrale kaart van dat jaar staan de gronden daar aangeduid als heide of hoogveen. Weilanden en hooilanden ontbreken in dit zuidelijke deel, maar meer westelijk, onder Haule, zijn ze wel aanwezig.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hendrik Alberts Berga – schoonzoon van Froukje Jans Gorter en later boer op de zathe Koudenburg – in december 1842, een jaar na de aankoop van de hoeve, een stuk hooiland van 17 hectare verwerft bij de Haulerzet. De Haulerzet ligt aan het voetpad dat loopt van de kerk van Haule naar de Weper.

De schapenhouderij speelde zelfs aan het einde van de 19e eeuw een nog belangrijke rol. In 1883 werd een boelgoed gehouden door Antje Thomas van der Leij en de erfgenamen van haar man Hendrik Alberts Berga. Er werden o.a. 100 schapen verkocht.

Varkens
Op de inventarislijst uit 1841 zie ik 2 varkens vermeld. Een varken wordt zelfs nog iets duurder getaxeerd dan een koe. Ze zullen zijn gefokt voor eigen consumptie zo veronderstel ik. Het fokken van varkens nam overigens wel toe in die periode. Zo meldde “De vriend van den landman” in 1846 expliciet dat het fokken en mesten van varkens allerwegen toenam “ten gevolge van de vermeerderde cultuur der aardappels”. Ten gevolge van de aardappelziekte (Phytophtora infestans)  kon de varkensstapel soms ook plotseling krimpen.
In 1882 is er sprake van een perceeltje (35 are) weiland gelegen direct ten oosten van de boerderij Koudenburg. Het heet het varkenskampje en ligt in bewalling zo staat erbij.
Tweede helft 19e eeuw neemt de export van vers varkensvlees aanzienlijk toe. Met name de zandgronden voorzagen voor het overgrote deel de Engelse markt van vers varkensvlees. Deze markt vroeg een licht type varken, dat werd gemest tot een gewicht van slechts 50 kg, de zogenaamde ‘Londense biggen’; aanzienlijk lichter dan de vette varkens van voorheen.

Rundvee
In 1841 telt de veestapel op Koudenburg een bescheiden rundveestapel: zeven melkkoeien, twee vaarsen, drie pinken, een stier en vier kalveren, van zowel rood- en zwartbont ras. De koeien werden in de eerste plaats gehouden voor de melkproductie en waarschijnlijk ook voor de mest. Slacht vond plaats voor eigen gebruik en deels voor de plaatselijke markt.
Vermoedelijk verkocht men ook runderen aan handelaren die actief zijn in de zogenoemde “negotie van tonnevleesch” — het ingezouten vlees. Deze kooplieden kwamen tijdens de slachtmaand naar het dorp om vee te laten slachten en in te kuipen, waarna het vlees naar Amsterdam of andere steden werd verzonden.

Volgens Bieleman zet vanaf 1830, en vooral na 1840, een duidelijke groei van de rundveestapel in, die doorloopt tot het einde van de jaren 1870. Dan dient zich de grote landbouwcrisis aan (1878–1895), die deze ontwikkeling tot stilstand brengt.

Het ligt voor de hand dat men in deze periode op het erf zelf boter karnt en kaas maakt. Bijzonder is dat de inventaris van 1841in de kelder wel drie melktonnen, drie melkvaten, een boternap, enkele ijzeren en stenen potten en vaten meldt, maar géén karnton. Mogelijk gebruikt men een ander systeem, of wordt de karnton, de plunjerkarnton, op dat moment elders bewaard of niet vermeld.

Paarden
De hoeve Koudenburg wordt in 1841 bewerkt met 2 paarden.

Granen
Op de inventarislijst uit 1841, het is dan november, staat dat 6000 schoven binnenshuis liggen opgeslagen; deze moeten dan dus nog worden gedorst.
Rogge is in deze periode de belangrijkste graansoort, bedoeld zowel voor eigen gebruik als voor de verkoop. Roggeteelt wordt vaak geassocieerd met arme grond en met een graansoort die je ongestraft jaren op hetzelfde perceel kunt verbouwen. Rogge is inderdaad minder veeleisende graansoort, maar ook hier geldt dat roggeteelt met voldoende opbrengst alleen is vol te houden dankzij zware bemesting met plaggenmest, in wat bekendstaat als het ‘heide-potstalsysteem’. Dit systeem is extreem arbeidsintensief: een groot deel van het jaar zijn vrijwel alle beschikbare arbeidskrachten bezig met het steken van plaggen, het transport en het verspreiden van de mest over het bouwland. Ik heb geen bronnen kunnen vinden maar schat in dat 6000 schoven ca. 3000 tot 5000 kg korrels opleveren

In oudere landbouwliteratuur wordt vaak gesproken van “eeuwige roggebouw”, maar die term doet tekort aan de werkelijkheid. Het boerenbedrijf functioneert, ook in vroegere tijden, in feite als een geïntegreerd geheel, waarbij alle bedrijfshandelingen en teelten nauw op elkaar zijn afgestemd — aangepast aan de sociaal-economische omstandigheden en de natuurlijke omgeving (bijvoorbeeld veeziekten).

De dichtsbijzijnde molen staat in Donkerbroek. Op onderstaande topgrafische kaart met een blokje aangegeven.

Over deze molen “Het Oost” lees ik op de site van de Documentatiecentrum Donkerbroek:
Al op de Schotanuskaart van Friesland van 1664 treffen we op het Oost van Donkerbroek een molen aan. Wanneer bovenstaande molen precies is gebouwd is onbekend. De vroegst bekende molenaar is Wilt Alberts van der Molen, zo rond 1800. Tot ver in de tweede helft van de 19e eeuw woonden en werkten er meerdere generaties Van der Meulen als molenaar en bakker. De laatst bekende eigenaar en molenaar was Meine van der Wulp. Waarschijnlijk is de molen rond 1917 afgebroken. Uit het bevolkingsregister blijkt ook dat Meine van der Wulp zijn beroep rond die tijd is veranderd van molenaar naar arbeider. Erg gelukkig eindigde zijn leven overigens niet, hij heeft zichzelf in 1922 verhangen.

Moestuin

In 1832 behoort 2,5 are moestuin (een Goorn in de Stellingwerven) bij de zathe Koudenburg. Hier worden groenten en peulvruchten verbouwd. Deze moestuin is noordelijk gelegen van de hoeve aan de weg nabij de akkers aldaar (in 1881 maakt het deel uit van het akkerbouwcomplex genaamd de “Bovenbouw”).

Vlas
In de inventarislijst uit 1841 zie ik dat in de schuur drie vlasbraken staan. Dit doet een grootschalige vlasbouw veronderstellen. Maar vlas verbouw je niet op zandgrond tenzij de grond goed bemest wordt met stalmest of plaggenmest en dat er voldoende regen valt. Het gaat dan veelal om kortvezelvlas of zaadvlas; dus meer voor lijnzaad dan voor linnen.

Vlas- of handbraak van hout gebruikt voor het braken van het vlas.
Bron: Fries Landbouwmuseum

Aardappelen
In de inventaris (november 1841) lees ik dat aanwezig zijn vierenzestig mudden aardappels in de gaten.
64 mudden komt neer op ongeveer 4.480 liter aardappelen (64 × 70 liter). Dit is ca 3000 kg bedoeld voor nog 10-11 maanden. Dus per jaar ca 3500 kg. Wat kun je daar mee. Ik kwam een studie tegen uit 2003 van Richard Paping and Vincent Tassenaar, University of Groningen gemaand “The consequences of the potato disease in the Netherlands 1845- 1860: a regional approach“. Ik neem twee tabellen over.


“In de gaten” verwijst hier naar een bewaarmethode; kuilen in de grond afgedekt met stro, plaggen en aarde om ze vorstvrij en droog te houden. In andere streken worden dit ook wel kuilen of hopen genoemd.

Boekweit
Opvallend is dat in de akten betreffende de zathe Koudenburg geen melding wordt gemaakt van de verbouw van boekweit. Ook in de inventaris van 1841 ontbreekt bijvoorbeeld een boekweitzeef, wat zou kunnen wijzen op het ontbreken van verwerking op het erf. Dit alles is opmerkelijk, omdat de teelt van boekweit op heidevelden in de 19e eeuw als zeer lonend geldt.

Toch blijkt uit andere bronnen dat er op de Haule wél boekweit wordt verbouwd. In een brief uit oktober 1857 aan het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde schrijft P. Wijntjes dat op de Haule boekweit groeit op “in bebouwbare grond veranderde woeste velden”.

Ook voor Koudenburg zijn er aanwijzingen dat boekweit onderdeel van de bedrijfsvoering is. In een advertentie uit 1884 biedt weduwe Bandringa publiekelijk zeven akkers boekweit te koop aan. En in 1905 verkoopt Jan de Weerd namens Lubbert J. Russchen vijf percelen boekweit. Dit wijst erop dat boekweitteelt, hoewel niet altijd expliciet genoemd in officiële documenten, wél degelijk voorkomt op het bedrijf.

Op bijgevoegde kaart zijn de smalle boekweitveldpercelen ten noorden en ten Oosten van Haule in de eerste helft van de 18e eeuw duidelijk te zien.

De naam boekweit is te verklaren doordat de vruchten van de plant de vorm hebben van kleine beukennootjes van ongeveer 6 mm. Voor de Nederlandse naam geldt hetzelfde: boek betekent beuk en weit betekent tarwe. Boekweit is echter geen echt graan; het behoort tot de familie van de duizendknopen. Door het ontbreken van gluten kun je er geen brood van bakken. Het wordt vooral gebruikt voor pap en pannenkoeken.

Boekweit was een uitkomst voor “arme boeren” die geen mogelijkheden hadden om te investeren. Door boekweit te verbouwen konden zij boer zijn zonder veel vee of kapitaal. Het was makkelijk te verbouwen. Maar boekweit is zeer gevoelig voor weersinvloeden, waardoor oogsten toch vaak tegenvielen en de armoede groot bleef. Er waren lucratieve jaren in de boekweitteelt, maar als er nachtvorst voorkwam kon de hele oogst van dat jaar verloren gaan. Niet voor niets stond boekweit ook bekend als ‘jammerkoren’.

Het gewas groeit goed op arme grond, zoals hoogveen. Om de grond geschikt te maken, groeven de boeren in de herfst smalle greppels in het veen, op een afstand van vijf tot acht meter van elkaar. Zo droogde de bovenste laag van het veen uit. Daarna werd de grond losgehakt, zodat hij in de winter nog beter kon drogen. In het voorjaar, tussen mei en half juni, stak men het veen in brand. Daarbij kwam veel rook vrij, die soms zelfs tot in Holland of Duitsland merkbaar was. In de warme as zaaide men de boekweit. De plant bloeit in augustus en aan het eind van september haalde men de oogst binnen.

Begin 19e eeuw werd boekweit in op vrijwel dezelfde manier verwerkt als tarwe of rogge, maar met een paar specifieke stappen vanwege de harde schil van de korrel. Het gebeurde meestal in korenmolens (wind- of watermolens), veel vaker met rosmolens en soms in kleinere handmolens.
In een grutmolen waren veel bewerkingen mogelijk. Het grote door een paard aangedreven kroonwiel liet meerdere schijflopen draaien door de kammen aan de buitenkant. Ook verschillende zeven en waaierkasten d.m.v. snaaraandrijvingen. 

Grutterij in 1694

Globaal ging het zo:
Boekweitplanten werden geoogst en gedorst om de driehoekige zaden los te krijgen. De korrels werden daarna geschoond met wanmolens of door windwannen om kaf, stof en steentjes te verwijderen.
Boekweit heeft een harde zwarte dop die je niet kunt malen tot eetbaar meel. Daarom werd het eerst gepeld, gebroken, “gekraakt”. Voordat de boekweit gebroken werd, werd deze eerst geëest, d.w.z. licht verwarmd, waardoor de dop er makkelijk afgaat. De eest werd verwarmd door een kachel die gestookt werd met boekweitdoppen. Het breken gebeurde in Pelmolens. Dit waren molens met speciale pelstenen of houten pellers die de schil verbrijzelden maar de kern grotendeels heel lieten. Soms werden de stenen iets verder van elkaar gezet dan bij graan, om de korrel niet tot meel te malen. De gebroken dop werd daarna uitgezeefd of uitgeblazen (bukken of afzeven) , zodat alleen de witte binnenkorrel (het grut) overbleef.
Pas daarna werd het eigenlijk malen gedaan. De gepelde korrels werden op molenstenen gemalen—vaak iets minder fijn dan tarwe, omdat boekweit geen gluten bevat. Het resultaat was boekweitmeel (voor pannenkoeken, koeken, brij) of boekweitgrutten (voor pap, kasha-achtige – gerookte boekweit – gerechten).

Of bovenstaande wijze van verwerking van boekweit ook opgaat voor onze streken weet ik niet. Ik heb daarover geen informatie kunnen vinden. Dit is bijzonder; boekweitteelt wordt veel genoemd, maar de verwerking is in onze streken een onbeschreven blad.

Van gebieden zonder grote molens weten we dat soms een handkorenmolen, maar veel vakere, een rosmolen (paardemolen) werd gebruikt voor het malen. Het kleinschalig malen gaf wel grover meel maar was voldoende voor dagelijkse keuken.
Een inventaris beschrijving gedateerd op 22-11-1850  vermeld  Harmen Klazes Gorter (grutter) wonende te Donkerbroek, huisnummer 47 (ter oriëntatie: nr 58 was de boerderij (stemgerechtigde hoeve nr. 6) in eigendom van Thomas Jans van der Leij) Onderdeel van de inventaris is een gortmolen met toebehoren, getaxeerd op 175 gulden. Deze staat in de Grutterij. Verder is aanwezig een ingerichte karnhoek en een stalling met drie melkkoeien, een vaars, een kalf, een os, , een varken, twee biggen en drie paarden. In de inventaris kom ik drie mudden boekweit tegen en een partij rogge in’t schoof.
Het feit dat drie paarden aanwezig zijn op dit kleine boerenbedrijf doet vermoeden dat de paarden de pk’s hebben geleverd voor de gortmolen. De vader van Harmen Klazes Gorter, Klaas Alberts Gorter was in 1841 ook grutter in Donkerbroek.
In 1832 (HinGis) kom ik in Makkinga een grutter tegen: Jacob Gerkes Gorter. Zijn zoon is in 1846 ook grutter.
Waarschijnlijk was Jan Engberts de Kleine in 1842 grutter in Appelscha.

Boekweit is een goed ‘bijengewas’; bijen voeden zich er graag mee. Het levert een aromatische en zeer donker gekleurde honing.

Heide
Bij de verkoop van Koudenburg in 1882 valt op dat bij de zathe nog steeds veel heidegrond hoort. Men was toen nog steeds erg aangewezen op dierlijke mest; aanwezig waren 100 schapen. In een verkoopakte uit 1924 worden bij de verkoopvoorwaarden nog steeds gemeld hoe om te gaan met aanwezige plaggen.

Versie: 2026, 17 januari



← Vorige: 11. De eigenaren en gebruikers van de Zathe Koudenburg na 1842.Volgende: 13. Een inkijk in de huishouding op de zathe Koudenburg →