Koudenburg Haule

4.3. De bodem (bovenste laag) van Haule en Koudenburg

Wanneer men in de bodemkunde spreekt over de bodem als “bovenste laag”, bedoelt men meestal het dat deel van de aardkorst waarin biologische, chemische en fysische processen plaatsvinden; de laag waar planten wortelen, waar organismen leven, en waar water en lucht kunnen doordringen. In de bodemkunde worden profielen beschreven waarbij de bodem wordt gezien als de laag van organisch materiaal en verweerd gesteente tot aan het onverweerde moedermateriaal.
In de landbouw en ecologie rekent men vaak de bovenste 1 à 1,2 meter als functionele “bodem”. Dat is ongeveer de maximale bewortelingsdiepte van de meeste landbouwgewassen.

Podzolbodem, dwarsprofiel (bron:Brasse, 2014)

De bodemkaart geeft op detailniveau aan waar welke bodemtypes te vinden zijn. De bijbehorende bodemkundige informatie heeft betrekking op de aard en samenstelling van de grond (grondsoort) met een verdere onderverdeling naar bodemvorming, veensoort, afwijkende lagen in het profiel en aanwezigheid van kalk.
Twee honderd jaar geleden zou die beschrijving van de bodem van een gebied er anders uit hebben gezien. Menselijke activiteiten hebben nogal wat veranderingen te weeg gebracht. Veen is vergraven, heide is “aangemaakt”, kunstmest heeft de gebruiksmogelijkheden behoorlijk veranderd.


Een bodemkundige beschrijving van het gebied Koudenburg kan ik het beste geven op basis van de Bodemkaart van Nederland1:50 000 (2021)

Op deze bodemkaart van de streek Koudenburg komen we de volgende bodemtypen tegen.

I, VII, X en XVI        Hn21: Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit leemarm of zwak lemig fijn zand.

II, V                            Hn23: Veldpodzolgronden; lemig fijn zand. Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand.

III, VI                         zWp: Moerige podzolgronden met een humushoudend zanddek en een moerige tussenlaag. Dit zijn moerige podzolgronden met een moerige tussenlaag waarop een zanddek ligt. In het zanddek kan een minerale eerdlaag zijn ontwikkeld maar de legenda-eenheid wordt hierop niet verder onderverdeeld.

IV                   zVz: Meerveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 1.2 m. Dit zijn rauwveengronden met een zanddek al dan niet met minerale eerdlaag. De ondergrond bestaat uit zand zonder humuspodzol-B-horizont.

VIII                pZn23: Gooreerdgronden; lemig fijn zand.   Dit zijn kalkloze zandgronden met een minerale eerdlaag van 15-50 cm dikte, zonder ijzerhuidjes, en geen roest; of roest beginnend dieper dan 35 cm, of roest beginnend ondieper dan 35 cm en over meer dan 30 cm onderbroken. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand.

IX, XI             cHn23: Laarpodzolgronden; lemig fijn zand. Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een matig dikke humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand.

XII                  zWz: Moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand. Dit zijn moerige eerdgronden met een moerige tussenlaag waarop een zanddek ligt. In het zanddek kan een minerale eerdlaag zijn ontwikkeld maar de legenda-eenheid wordt hierop niet verder onderverdeeld. De moerige tussenlaag ligt op zand.

XIII                Vz: Vlierveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 1.2 m. Dit zijn rauwveengronden waarbij een moerige eerdlaag, een zavel- of kleidek, een zanddek en een veenkoloniaal dek ontbreken en waarbij niet-gerijpt materiaal dieper begint dan 20 cm. De ondergrond bestaat uit zand zonder humuspodzol-B-horizont.

XIV                vWz: Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand. Dit zijn moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand. In de moerige bovengrond kan een moerige eerdlaag zijn ontwikkeld maar de legenda-eenheid wordt hierop niet verder onderverdeeld.

XV                  pZn21: Gooreerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Dit zijn kalkloze zandgronden met een minerale eerdlaag van 15-50 cm dikte, zonder ijzerhuidjes, en geen roest; of roest beginnend dieper dan 35 cm, of roest beginnend ondieper dan 35 cm en over meer dan 30 cm onderbroken. De bovengrond bestaat uit leemarm of zwak lemig fijn zand.

In opdracht van de Centrale Directie van de Cultuurtechnische Dienst te Utrecht is in 1976 een bodemkundig onderzoek uitgevoerd in het toekomstige ruilverkavelingsgebied Haulerwijk. Het grootste gedeelte van dit gebied was reeds gekarteerd in het kader van de systematische kartering t.b.v. de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50 000. Deze gegevens, weergegeven op kaartblad 11 Oost (met toelichting) zijn voor ruilverkavelingsplannen te summier, zodat er een aanvullend bodemkundig onderzoek is uitgevoerd. De gemiddelde boringsdichtheid bedroeg één boring per 3 ha tot een diepte van 1,20 m – maaiveld.

Het ruilverkavelingsgebied bestaat uit dekzandgronden, doorsneden door twee veengeulen, één ten noorden van Donkerbroek en de andere vormt het dal van het riviertje de Kuinder in het zuiden van het gebied. Binnen de dekzanden komen talrijke met veen opgevulde dobben voor. Het bodemgebruik is overwegend grasland, er komen ook enkele boscomplexen voor. Tussen Donkerbroek en Haule ligt een grote oppervlakte gronden die reeds lang in cultuur is. Langs de Kuinder liggen veengronden die al zeer lang als weidegronden gebruikt worden.

Bodemkaart. Bron: https://edepot.wur.nl/464454?utm_source=chatgpt.com

LEGENDA
Zandgronden

Hn       Veldpodzolgronden, humeuze bovengrond < 30 cm
cHn     Laarpodzolgronden, humeuze bovengrond 30 – 50 cm
pZn     Gooreerd/beekeerdgronden, humeuze bovengrond < 30 cm
S          Stuifzandcomplex; vaaggronden en onderstoven veldpozolgronden
Moerige gronden (met of zonder zanddek)
Wp      Moerpodzolgronden
Wz      Broekeerdgronden
Veengronden (met of zonder zanddek)
VP       binnen 120 cm op zand met podzol-B                 

Vz       binnen 120 cm op zand zonder podzol-B
V         zandondergrond beginnend dieper dan 120 cm
(VP/VZ/V dit kunnen zijn: vlierveen-, madeveen en meerveengronden)


Versie: 2025, 27 december

← Vorige: 4.2. Veen rond KoudenburgVolgende: 4.4. De waterhuishouding op en rond Koudenburg →